Assistente

door Lucas de Waard

Mijn huisarts heeft een nieuwe assistente. Dat viel mij nogal rauw op mijn dak. Zoals iedereen ga ik niet graag naar de huisarts en als je dan toch moet kom je niet graag voor verrassingen te staan. De nieuwe assistente was een verrassing. Mijn huisarts heeft geen nieuwsbrief, dus ik wist van niks. Ik vraag me af of er huisartsen zijn die wél een nieuwsbrief hebben. En wat daar dan in staat.
Afijn. De nieuwe assistente schoof het schuifraam opzij en keek me stralend aan. Het is een lekker wijf. Dat zul je altijd zien. Lekkere wijven hebben de neiging om nét op die plekken op te duiken waar je ze niet gebruiken kunt. Bij mijn orthodontist bijvoorbeeld werkten, ik zweer het u, alleen maar lekkere wijven. Er is niks vernederender dan achterover in een stoel liggen met klemmen in je bek terwijl een heel erg mooi meisje met een tang staaldraad rondom je kiezen zit aan te schroeven, onderwijl kletsend met haar collega’s over, jawel, jongens.

‘Wat kan ik voor u doen?’, informeerde de nieuwe assistente.

‘Ik kom een test ophalen’, zei ik. Ze knipperde eenmaal met haar ogen, alsof ze ‘O, leuk’, wilde zeggen. Dat zal wel een vergissing zijn geweest. Testen zijn zelden leuk. Meestal vies.

‘Wat voor test?’, vroeg ze. Dat wilde ik niet zeggen. Ik weet niet precies waarom. De vorige doktersassistente heette Clara en was een kordate tante van vijfenveertig met een frisse korte kop. Die had ik het moeiteloos verteld. Die mocht naar hartenlust in mijn oren peuteren, gore feitjes over mijn darmflora opsommen en rondsjouwen met reageerbuisjes vol met mijn intiemste lichaamssappen. Geen centje pijn. Dus waarom nu dit meisje, een meisje met wie ik nooit een andere relatie zal hebben dan die van patiënt-medicus, een meisje dat helemaal niet geïnteresseerd is in – ik noem maar een dwarsstraat – mijn tongzoentechnieken, waarom dit meisje zo nodig in de waan moet blijven dat ik een vent ben zonder imperfecties…
Kijk, ik weet het antwoord best, en u ook. Omdat ik dan niet meer met haar kan flirten. Omdat ik dan niet meer mysterieus ben. Gewoon een man met pijntjes en gelrestjes op zijn schouders en een stoelgang. Daarom. En omdat ik dat niet wil. Omdat ik op mijn dertigste lekkere wijven, mijn eigen lekkere wijf uitgezonderd, nog steeds als decorstukken in een stompzinnig blijspel vol knipoogjes en schalkse lachjes wens te zien. En omdat een van de weinige plekken waar een man aan die stumperige levenswandel kan ontsnappen de wachtkamer van de huisarts is. Was. Dus.

‘Wat voor test?’, vroeg ze.

‘…nlstng’, mompelde ik, na een veel te lange pauze. Zo’n pauze waarin al lang duidelijk is dat je je schaamt. Dat je de naam van die test niet wil zeggen omdat het iets te maken heeft met bultjes, of gasvorming, of – jawel – poep.

‘…ntlstng’, zei ik dus. Dat verstond ze gewoon.

‘Oké!’, jubelde ze, en ze begon in een bak te graven. Algauw had ze een plastic zakje met daarin een akelig suggestief plastic buisje te pakken. Ze zei nog net niet: veel plezier ermee. Veel plezier ermee en ik zie het wel weer verschijnen, die viezigheid van jou. Ouwe smeerpijp. Met je spijsvertering. Maar ze dacht het wel. Dat zag ik duidelijk, toen ik nog een keer een blik in die azuurblauwe ogen wierp.

En terwijl ik wegliep overwoog ik het idee van een nieuwsbrief in mijn huisarts’ ideeënbus te deponeren. Maar die heeft hij dus ook al niet.