Avondeten

door Lucas de Waard

Het kwam niet door de warmte. Goed, het wás warm, maar dat was het al weken. Bovendien; hij was geboren in de hitte. Opgegroeid met het zweet permanent parelend op zijn rug; een brandende zon in zijn nek voelde als thuiskomen.
In het kille, leverworstkleurige Engeland waar hij tegenwoordig resideerde was dat anders. Daar was het wennen, elke dag weer. Hier, onder de Braziliaanse zon was hij waar hij hoorde te zijn. Hier voetbalde hij alsof zijn moeder hem elk moment terug kon roepen van het pleintje om aan te schuiven bij het avondeten. Alsof elke minuut de laatste kon zijn.

Zijn moeder was er niet. Althans, niet om hem terug te roepen voor het eten. En ook niet om hem geruststellend toe te spreken toen de druk opliep. Toen hij rende en vloog en tackelde en meer en meer voelde dat de hoop van het hele land op zijn schouders rustte. Hij moest Uruguay trots maken. Wie anders dan hij, opgeklommen uit die troosteloze kutwijk en verworden tot een wereldster? En almaar voelde hij zich zwakker. De jongens van de tegenpartij; de grotere, sterkere jongens die het pleintje hadden overgenomen bogen niet. Laat staan dat ze braken. Ze speelden alsof het zondag was, omdat ze wisten: een 0-0 is dik in orde.
Voor hem was 0-0 niet in orde. 0-0 betekende naar huis. Avondeten.

Hij is nooit van het pleintje afgekomen. Niet in Groningen, waar het allemaal serieus werd, of in Amsterdam, en ook niet in Liverpool. Daar was voetballen werk, maar hij ervoer het nooit zo. Het was te belangrijk om werk te zijn. Hij voetbalde altijd en overal alsof hij nog één minuut had voordat hij thuis achter een karig bordje rijst met grauwe pulp werd gezet. Nu dus ook. En de grote jongens, ze werkten niet mee. Ze speelden gemeen. Niet om te winnen, maar om niet te verliezen. En dat maakte hem almaar wanhopiger, en almaar razender. Het was hem al vaker gebeurd. Het zwart voor de ogen. Het even niets meer weten en daarna de smaak van bloed in zijn mond. Tandafdrukken in het vlees van zijn tegenstander.
Maar dat zou hem niet meer overkomen. Hij was geen kind meer. Hij was niet op een pleintje. Hij was in een peperduur stadion, speelde in de carrousel der miljoenen, wist camera’s en ogen op zich gericht. Talloze ogen. Hij was nota bene zelf vader. Hij hoefde niet naar huis voor het eten, nooit meer. Hij zou het niet meer doen.
En terwijl hij rende en vloog en tackelde en rolde en weer opstond keek hij naar de klok die weg tikte, en naar die doodzieke 0-0 op dat scorebord en behalve de brandende zon voelde hij die hoop in zijn nek. Die hoop van een heel land die veel te zwaar weegt voor een kind.

En toen kreeg hij een duw. Hij wist niet van wie. Alle grote jongens leken op elkaar. Allemaal speelden ze gemeen. Om niet te verliezen. En achterin zijn hoofd waarin het langzaam zwart kleurde hoorde hij zijn moeder roepen: ‘Luis, thuiskomen! Eten!’