De glorie van anderen

door Lucas de Waard

De column werd live voorgedragen tijdens de Tilt Festival Sportkantine

Ik ben de slechtste sporter die u ooit heeft ontmoet. Ik hoor u denken: ‘Niet waar, dat ben ik zelf al’, maar dan moet ik u lelijk teleurstellen. Naast mij bent u een Nikki Terpstra. Jazeker. Een Arjen Robben bent u, een Ireen Wüst, een Epke Zonderland. Zolang u maar dicht bij mij in de buurt blijft.

Eens per jaar betreed ik een voetbalveld. Dan staan er mensen langs de zijlijn te huilen. Ik hol wanhopig van hot naar her, struikel over lucht en ram panklare voorzetten regelrecht de boomkruinen in. Ik met een bal aan mijn voeten, dat is kijken naar een edele sport die langzaam wordt verzopen in een teiltje kokende olie. Het doet denken aan het soort postdramatische theater dat ervoor heeft gezorgd dat half Nederland kunst haat.

Dat ik geen groot sportman ben openbaarde zich al vroeg. Gymles in het basisonderwijs is wreed: het is de eerste schifting waar je tegenaan loopt in het leven. Rowdy, Mohammed en Jeffrey kunnen wél in het touw klimmen, en jij niet. Jij hangt daar als een mistroostig stukje kerstdecoratie een meter boven de grond, en probeert niet te janken. Jankerds zitten op de reservebank.

Door gebrek aan sportieve aanleg richtte mijn hoop zich algauw op een ander vlak: superkrachten. Maar die heb ik dus ook niet. Dat werd eveneens op jonge leeftijd duidelijk, en vind ik zo mogelijk nog erger dan nog nooit in mijn leven een bal goed geraakt hebben. Er is, heb ik me laten vertellen, aan geen superkrachten hebben nog minder te doen dan aan van de bok lazeren bij gym. Superkrachten bestaan namelijk niet. En sport, zo eerlijk moeten we wezen, wel.
Twee teleurstellingen op zo’n jonge leeftijd, dat tekent een man. Daar hoeven we niet kinderachtig over te doen.

Kinderen zonder aanleg voor sport of superkrachten gaan lezen. Zich laven aan de glorie van anderen. Aan helden die alle waarschijnlijkheden tarten met hun moed en vernuft en aldus de wereld redden van alweer een wisse ondergang. Andere mensen laven zich daar natuurlijk ook aan, maar over die mensen heb ik het niet, ik blijf niet bezig.

In boeken voltrekt zo’n heldendicht zich altijd volgens een redelijk vast stramienetje. De held verschijnt, trekt ten strijde, komt te val, krabbelt weer op en wint alsnog. Zo hoort dat te gaan. Rise, fall and rise again. Simpel, betrouwbaar, fijn.

Er komt, natuurlijk, een moment dat je die verhalen een beetje laat voor wat ze zijn en je op grote-mensen-literatuur stort. Je wil in de kroeg niet voor lul zitten als het over boeken gaat. In literatuur wint de held vaak niet. Of maar een beetje. Of hij wint wel, maar iedereen om hem heen is dood of er met iemand anders vandoor.
Dat is prima, maar soms heb je heimwee. Heimwee naar de ongecompliceerde verhalen van weleer.

Sport heb ik lang links laten liggen. Dat had sport immers ook met mij gedaan, dus dat was helemaal niet onredelijk.  Tot ik, rond mijn achttiende, tijdens een WK waaraan wij niet mee mochten doen, een wonderlijke ontdekking deed. Sport gaat, in tegenstelling tot wat veel mensen denken, helemaal niet over de punten. Het gaat niet om welk land het beste is, wiens naam er op de beker staat of om hoeveel bier je over je trainer heen kunt gieten. Neen, het gaat om de verhalen. Het zijn heldendichten. Mythen, sagen van vlees en bloed. Het is Rise, fall and rise again voor gevorderden.

Het gaat over Johnny Hoogerland die met de snelheid van een kogel het prikkeldraad in gelanceerd wordt maar dat geen enkele reden vindt om niet de bolletjestrui te pakken. Het gaat over Rafael van der Vaart, die meer talent heeft dan zijn succesvollere vrienden maar steeds aan de verkeerde wijven blijft hangen. Het gaat over Tim Krul, die voor een penaltyreeks het veld in gestuurd wordt en besluit een stelletje trillende Costa Ricanen het graf in te bluffen.
Dat is kijken naar sport, en dat is, uiteindelijk, ook lezen over sport. Het zijn schaamteloze heldendichten, maar ze mogen, omdat ze echt bestaan. Ze zijn volmaakt, want op elke nederlaag volgt een overwinning, en dus een geschikt einde. Van een sportverhaal mag je, net als bij een superheldenavontuur, op het hoogtepunt zeggen: het is afgelopen! Als van der Vaart nog éénmaal schittert in Oranje. Als Wim Kieft een jaartje van de coke afblijft. Als Van der Gijp op een dag zegt: krijg allemaal maar de pleuris, ik ga iets doen wat ik écht leuk vindt!

Sportliteratuur is literatuur voor het kind in ons. Het kind dat verlangt naar mensen die alle waarschijnlijkheden tarten met hun moed en vernuft en aldus de wereld redden van alweer een wisse ondergang. De glorie van anderen. En zolang het ons dan ook nog eens weg houdt van het voetbalveld, is iedereen een beetje winnaar.