Het sterven van Facebook

door Lucas de Waard

Facebook ligt op bed en ademt zwaar. Op het nachtkastje flakkeren kaarsen, af en toe brandt er een op en ruikt het even naar zwavel.

Toen Facebook en ik vrienden werden was hij een bonk energie, een razend projectiel van levenslust. Facebook vond het jammer dat er maar 24 uur in een dag pasten. 24 uur was te weinig, veel te weinig voor alles wat hij delen wilde met de wereld. ‘Er is zoveel te zeggen, zoveel te zien! Er is zoveel mogelijk, Lucas!’ jubelde hij, en hij wees trots op de vele initiatieven, discussies en absurde kulgesprekken die rond suisden over zijn blauwwitte gelaat, ‘Vanaf vandaag zijn we allemaal samen’.
En er volgden mooie jaren. Precies zoals hij had beloofd.
Maar dingen veranderden. Facebook werd soms ineens overvallen door het gevoel dat niets ertoe deed. Dat hij, met al die mensen, al die activiteit in hem nog steeds vreselijk eenzaam was. Hij belde dan soms midden in de nacht op. ‘Er hebben vandaag zevenendertig miljoen mensen verteld wat ze die avond gingen eten, Lucas! Foto’s van borden spaghetti, lamscurry of broodjes humus! Is dat het dan? Is dat waar het allemaal toe gekomen is?’
Ik kreeg hem dan vaak maar moeilijk gekalmeerd. Hij was dronken en buiten zichzelf. De volgende ochtend kon hij zich niets van zijn tirades herinneren, maar op een middag trof ik hem mismoedig aan op een parkbankje. Hij voerde een duif.
‘Vandaag was het weer prijs’, zuchtte hij, ‘iemand had een of ander slecht gespeld verhaal over kanker in elkaar gefrommeld en iedereen die “een hart had” moest het delen. Ik heb heel de middag tegen die foto van ‘n kale teddybeer aan moeten kijken’. Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen.
‘En wat is er met jou aan de hand, Lucas?’, vroeg hij toen, ‘waar ben jij nu helemaal mee aan komen zetten, de afgelopen tijd? Wat zelfgeschreven stukjes, een paar videoclipjes waar geen ziel op zat te wachten en een stakkerig bewerkt fotootje van het strand’. Ik haalde mijn schouders op.
‘Ik kan toch moeilijk de rest van mijn leven melodramatische quotes blijven delen, Facebook,’ zei ik, ‘ik ben geen twintig meer’.
‘Nee. Niemand is meer twintig’, zuchtte Facebook. Hij stond op. Ik keek naar hem en zag foto’s van poezen met tekstwolkjes. Ik zag zelf in elkaar gedraaide reclames voor locatievoorstellingen die alleen per fiets bereikbaar waren. Ik zag ontelbare linkjes naar woedende krantenberichten.
‘Waar zijn de gedichten?! Waar zijn de discussies van honderd reacties of meer?!’, jammerde Facebook. Ik zweeg en de duif vloog weg.

Een paar dagen later zat ik tussen twee vruchteloze schrijfsessies door naar mijn scherm te staren. Op het blauwwitte prikbord schoten de felkleurige niksigheden voorbij, als op een snelweg in de nacht. Er was iemand vermist, al drie uur lang. Of we wilden helpen met zoeken. Iemand heette ineens Hans Zoekt Kamer In Leiden. Er was een nieuwe site van iemands eigen cupcakebedrijfje. We moesten allemaal kijken. Ik pakte de telefoon en belde Facebook, maar hij nam niet op. Misschien slaapt hij, dacht ik. Facebook sliep op dat moment al op de vreemdste momenten.

Facebook ligt op bed en ademt zwaar. Ik zit ernaast. Maak een grapje over het weer, en dat ik geen zin heb om boodschappen te doen, maar Facebook reageert nauwelijks. Zijn vrouw komt binnen. Er is bezoek. ‘Wie zijn het?’ vraag ik. ‘Twitter, Instagram en iemand die zich Pinterest noemt. Rare naam hè?’ Ik schud van nee. Niet binnen laten. Nog niet.
Ik kijk naar Facebook, die met zijn ogen dicht zijn kussen omklemt. Nog niet, fluister ik zachtjes. Hij is er nog niet klaar voor. Nog heel even niet.