Jehova in Laren

door Lucas de Waard

De bel gaat. Dat is altijd een rare gewaarwording in een huis waar je niet woont. Tenminste, als jij degene bent die de deur moet opendoen. Een vriend kan het niet wezen want je hebt niemand uitgenodigd. Verder ken je niemand in de omgeving, want je past alleen maar op het huis en kijkt wel uit om praatjes te maken met de buren.

Aan de deur zijn, in dit geval, twee meisjes. Ik doe open en ze zeggen heel erg vrolijk hallo. Eentje is Indisch en de ander ziet eruit alsof ze normaliter in Oostenrijks hooggebergte zingend melk staat te karnen. Witte benen die in een geruit jurkje verdwijnen; een man zou voor minder bezwijken met dit weer, maar ze kijkt er dusdanig vroom bij dat vunzige gedachten de kans niet krijgen.
Ze hebben foldertjes over God. Blijkbaar woont die ook in Laren. Het Indische meisje praat over een bijeenkomst en verlichting en ik vraag me af of ik een shirt aan had moeten doen. En of ik die trolley vol lege wijnflessen niet wat meer verdekt zou moeten opstellen. Aan de andere kant hield Jezus zelf ook wel van een slok , dat weet dat meisje natuurlijk ook best.

Ik heb een beetje een zwak voor jehovagetuigen. Dat schijnt nogal uniek te zijn – de meeste mensen hebben een pleurishekel aan ze – maar ik kan het niet helpen. Het heeft iets ontroerends, die volle overtuiging, dat blinde, gelukzalige vertrouwen dat tegenover honderd dichtgesmeten deuren er ééntje open staat. Jehovagetuigen houden van God, worden daar allejezus blij van, en dat willen ze delen. Met mij.
Ikzelf hou niet van God. Tenminste, niet in het bijzonder. God heeft namelijk het Spaans nationaal elftal uitgevonden, en de Black Eyed Peas, en als kers op de taart bestaat hij volgens mij niet. Ik hou meer van Scarlett Johansson. En van bitterballen. Dat zijn de machten waar ik tot bid als het me zwaar te moede wordt. Die slepen mij door grimmige dagen heen zoals God nooit heeft gedaan. Maar soit, ieder zijn meug, en die lieverds met hun flyers en hun plakkerige cake kunnen bij mij altijd op grote sympathie rekenen.
‘Mogen we u iets over de bijbel vertellen?’, vragen ze meestal.
‘Liever niet’, zeg ik dan vrolijk, want ik heb de bijbel al gelezen. Ik vond het een mooi boek. Dan kletsen we wat en vervolgens gaan ze zonder morren huns weegs.

Ook het Indische meisje en haar kuise sidekick hebben al gauw door dat er niks te halen valt – ik kan niet naar hun bijeenkomst want ik woon hier niet – en kwinkeleren mij vriendelijk gedag. Terwijl ze weglopen over het gazon overweeg ik heel even de sprinklers aan te zetten. Niet uit kwelzucht, maar gewoon, om die vunzige gedachtes alsnog een beetje vrij spel te geven. Het leven moet immers wel leuk blijven. Maar in plaats daarvan trek ik een flesje wijn open en denk ik aan Scarlett. Die zou zo’n geruit jurkje ook prima kunnen hebben.