Topchef

door Lucas de Waard

Goede TV is wereldhandel. Een goed concept krijgt tegenwoordig namelijk in elk land dat boven de armoedegrens bungelt zijn eigen versie, volgepropt met lokale helden. Zo ook in Nederland. Alleen kunnen wij dat niet zo goed. Doorgaans missen we nét de crux, nét de subtiele ruggengraat van een programma, en dan is het ook meteen helemaal pet. Hollands Next Top Model is een goed voorbeeld van hoe wij een peperdure succesformule in een eindeloze nét-niet-cursus kunnen veranderen. Topchef Holland is nog erger.
Het Idols voor amateurkoks is in ieder land leuk om naar te kijken, behalve hier. In álle andere versies staat de crème de la crème van het culinaire werkveld klaar om de kandidaten te doen baden in hun straffe doch goudeerlijke wijsheden, en wij hebben het meeste verbitterde koks duo sinds de invoering van zout en peper achter het fornuis gezet.
Omdat we het wéér niet hebben begrepen.
Je ziet die Robert Kranenborg seizoen in seizoen, uit maar één ding denken: ‘Ik ben een zak. Ik ben een zak. Wat er ook gebeurt, ik ben een cynische kutzak.’ Robert heeft namelijk van de programmamakers te horen gekregen dat dat zo hoort. Zo doen ze het in de Amerikaanse en Engelse versie ook. Allemaal dikke koks. Allemaal beroemd. Allemaal een kutzak. Maar dat is niet waar. De koks uit de Topchef USA bijvoorbeeld, zijn in het geheel geen kutzak. Ze zijn streng, dat wel, maar even zo vaak breekt er een gelukzalige glimlach door, bijvoorbeeld als ze een meesterlijk gecomponeerd hapje sla nemen. Dat element hebben ze in de Nederlandse versie weggelaten. In de Nederlandse versie staat Robert (met naast hem die bestoppelde stofzuigerzak waarvan niemand de naam weet) drie kwartier lang een hekel aan eten te hebben, en dat moet de kijker dan opvatten als expertise. Robert krijgt een parade aan heerlijkheden voorgeschoteld en zegt bij alles ‘Bah.’ Dan moet ‘ie wel héél veel verstand van koken hebben!

Topchef is een erg ongezellig programma. Ongezellig en onbegrijpelijk. Want wat wíj zien is een komen en gaan van borden vol sauzige zaligheden. ‘Hmmmmm,’ denken we, ‘da’s lekker! Boft Robert even!’
Maar Robert boft helemaal niet, vindt hij zelf. ‘Je verwacht toch niet dat ik dit ga eten?!’ buldert hij naar een bord onfortuinlijk geschikte koteletjes.
Op dat soort momenten denk ik altijd aan het onvolprezen nummer ‘Tijdmachine’ van rapper Dio. Hierin rapt Dio -u raadt het al- over dat hij graag een tijdmachine zou hebben (en niet veel later over dat hij die niet heeft). Ik wil dat ook. Dan zou ik terug gaan naar 1944, zo’n bloembollen knauwend scharminkel van een oorlogsslachtoffer uit de hongerwinter mee trekken en die naast Robert Kranenborg parkeren als hij weer een gerecht moet beoordelen. Dat lijkt me goeie televisie. Zo’n trillende Topchef-kandidaat die een bord kalfszwezerik met rode portsaus voor Robert neerzet, Robert die wat foetert over kapot gepofte knoflook en slecht uitgebalanceerde kruidenmelanges, en dan die levende ribbenkast naast hem die hem eens goed in zich opneemt en zegt: ‘Bah.’ En die dan smakkend die kalfszwezerik naar binnen propt. Jubelend dat onze tijd veel leuker is, lange leve 2012, en iets over Adolf Hitler dat we niet verstaan, omdat zijn mond vol zit met gepofte knoflook.

Daarna breng ik hem uiteraard weer netjes terug naar de winter van 1944. Het kan tenslotte niet alle dagen feest zijn.