Wonen in je verleden

door Lucas de Waard

Ergens in je hoofd ligt een omver gelazerde archiefkast met herinneringen. Het lijkt alsof er ooit sprake was van een systeem, maar feit is dat het altijd zo’n janboel is geweest. Dingen die belangrijk lijken verdwijnen en duiken nooit meer op, terwijl die ene keer dat je voor lul werd gezet in een lokaal vol gulzig jouwende klasgenoten in de achterzijde van je voorhoofd gebrand lijkt.

Van mijn vijf levensjaren vóór de scheiding van mijn ouders heb ik me lang weinig herinnerd. Flauwekul-flarden, niets met enige vorm van eeuwigheidswaarde. Ik zag mezelf iemand met succes een kwak pudding tussen zijn ogen katapulteren met een plastic lepeltje. Ben nooit vergeten dat als ik mijn pyjamabroek op mijn hoofd zette ik Pironistein heette en een soort superheld was. Maar het alledaagse; gewoon, wij vieren – mijn vader en moeder, mijn zusje en ik; dat verdween samen met de trouwringen god weet waarnaartoe. Het verleden waar je in zou willen wonen vind je maar zelden terug.

Tot ik een maand of wat geleden ineens een beeld te pakken had. Ik lag ’s nachts naar het plafond te staren. Naast mij sliep mijn vriendin. En ik zag mijn vader achter de piano zitten. Hij had behoorlijk wat haar. Mijn zusje en ik hadden onze schoentjes gezet bij de servieskast – want geen schoorsteen en bij de CV smolt zo’n beest van suikergoed tot een amorfe homp ellende. Onze moeder hurkte achter ons en we zongen sinterklaasliedjes. Wel acht, want je schoen zetten was meer dan alleen maar snoep ophalen.
Ik wist niet waar het beeld ineens vandaan kwam. Had me er al min of meer bij neergelegd dat er waarschijnlijk nooit echt een huiselijke situatie was geweest. Een die klein, knus en veilig was. Maar dat bleek een vergissing. Hij bestond, in elk geval daar en toen, en ineens had ik hem een klein beetje terug. Vijfentwintig jaar onder die omgevallen archiefkast gelegen, verborgen tussen beelden van sigaretten, skateboards en onnodige tongzoenpartijen. En hoewel het mooi was, en klopte, werd ik er bedroefd van. Omdat het weg is. Omdat het ooit bestaan heeft, die vier mensen, gelukkig en geborgen, en nu niet meer. En op dat moment, daar in bed, voelde het ineens ondraaglijk dat dingen verdwijnen. Ook al komt er altijd iets voor in de plaats.
Toen werd mijn vriendin wakker. Zonder haar ogen te openen zei ze: ‘Niet verdrietig zijn’, en ze kroop tegen me aan en sliep verder. Ze was veel warmer dan ik, zoals altijd. Veilig. Ervoor in de plaats gekomen.

Net zoals die Sinterklaas-herinnering is ook dat moment een stilleventje geworden. Een ademende ansichtkaart, in een archief zonder index. Want zij ging haar kant op en ik de mijne en die kanten waren niet hetzelfde. Het verdween. Over een tijdje is het gereduceerd tot kleine momentjes, plaatjes van iets moois, omringd door vooral veel flauwekul. Misschien onthouden we de betekenisloze momenten het sterkst. Een stomme grap, een uitglijder, een mislukte verjaardagstaart. Omdat dat beter is. Omdat je niet in je verleden moet willen wonen. Maar het is fijn dat het soms mag.