Yulen

door Lucas de Waard

Toen hij wakker werd was hij veertien.  Er zat nog altijd aarde in zijn ogen.

Hij kon zich het vallen niet herinneren, daarvoor was hij te jong geweest. Zijn huid herinnerde het zich wel. Een wirwar van krassen. Een ademende legpuzzel. Er was geen pijn meer en ook geen jeuk. Hij wist niet van een gisteren en ook niet meer van alles wat ervoor was gekomen; tijd bestaat niet onder de grond. Hij werd wakker en hij was veertien, en jongens van veertien zijn sterk genoeg om te klimmen.

Hij duwde zijn vingers in de aarde en trok zich op. Hij woelde zich door lagen modder en klei heen. Vroeg zich niet af waar de afgelopen twaalf jaar gebleven waren. Hij was gevallen en wakker geworden. Dat was alles. Hij miste zijn ouders en wilde naar boven. De lucht zien. Limonade drinken. Kaasknabbels eten. Hij trok zich op en duwde het natte, zwarte zand naar beneden. Meter voor meter werkte hij zich langs de wanden van de put omhoog, in het pikkedonker, en de enige reden dat hij wist dat hij de goede kant op ging was dat hij niet duizelig werd. En dat hij zuurstof in de lucht proefde.

Het kostte hem twee dagen en drie nachten. Toen zag hij licht. Hij klauwde zijn vingers om de rand van de put en hees zich terug de wereld in. De zon maakte hem blind. Minuten lag hij in het gras. Hij ademde de buitenlucht in, zoog tot zijn longen leken te scheuren. Hij probeerde zijn stem uit. Zonder woorden want die had hij nooit gehad, nu ja, wat brabbeltjes, maar hij had ook geen woorden nodig. Dat zou allemaal wel komen. Hij lag daar met zijn ogen dicht, net zolang tot de zon verdwenen was en het begon te regenen, en die regen spoelde hem schoon.

Yulen, dacht hij. Dat ben ik. Dat weet ik.

Hij krabbelde overeind en bekeek zichzelf. Hij was naakt. Natuurlijk; hij was met zijn slungelige lijf uit die peuterkleertjes gegroeid, daar onder de grond. Gelukkig zag niemand hem. Hij dwaalde wat rond, stal een paar kleren van een waslijn en trok ze aan.

Hij ging naar huis.

Zijn ouders openden de deur en lieten hem binnen. Ze aaiden hem over zijn hoofd en over zijn wangen, en ze zeiden niets, wat Yulen fijn vond, want hij kon ook niks terugzeggen. Ze hielpen hem in bad en daarna zijn bed in. Ze hielden de journalisten buiten de deur. Die verzonnen hun eigen verhaal maar.

Zijn vader leerde hem spreken en zijn moeder leerde hem fietsen, het verschil tussen goed en kwaad en dat je niet moet oversteken als het rood is. Het buurmeisje waar hij weleens gelogeerd had kwam af en toe langs en dan wandelden ze samen langs de snelweg en noemden ze automerken op die ze mooi vonden. Ze kregen verkering en dat ging weer uit maar ze bleven vrienden.

Yulen werd 15, 16, 17 tot en met 30 en toen kreeg hij zijn eerste kind. Vlak daarna trouwde hij, niet omdat hij vond dat dat moest maar omdat hij van feestjes en dansen was gaan houden, en omdat hij de liefde wilde vieren.

Hij werd een paar keer ziek en weer beter, verloor het topje van zijn pink bij het snijden van wortels voor in de pastasaus en hij won een bescheiden geldprijs met een kleinschalige loterij. Met zijn gezin verhuisde hij naar een dorp nabij dat van zijn ouders.

Hij leidde een leven, een heel mensenleven, bestaande uit jaren, dagen en minuten, en het was alsof het allemaal zo hoorde. Alsof hij nooit gevallen was. Alsof de put er niet was geweest en de diepte en de angst en het steeds langzamer ademhalen ook niet. Alsof dat ene moment, het moment waarop hij met zijn neefjes achter het huis speelde en kaasknabbels at en niet goed oplette, omdat hij een kindje was, waardoor hij zich verstapte en het duister in tuimelde, dat moment; het moment waarop hij stierf;

het was alsof het nooit bestaan had.