Zonder mening

door Lucas de Waard

Deze column werd uitgesproken tijdens het lijsttrekkersdebat 
voor de gemeenteraadsverkiezingen in Den Bosch.

De meningen zijn uit mijn hoofd gevallen. Ik weet niet precies hoe het gebeurde, misschien schudde ik te hard van nee, of misschien stootte ik ergens tegenaan – de herinnering aan het moment is mistig. Maar wat er daarna gebeurde weet ik nog glashelder. Ik keek om me heen en zag ze op de grond liggen; mijn meningen. Ze spartelden wat in het stof – ik had ook al een tijdje niet gestofzuigd – en keken kwaad om zich heen. Bij een poot van de bank lag mijn mening over het Theater aan de Parade. ‘Het is een afzichtelijke blokkendoos’, piepte hij woedend, ‘Gooi het plat! Gooi het plat!’ Nu deze mening niet meer in mijn hoofd zat, en dus ook mijn mond niet meer had om door te spreken, klonk het eerlijk gezegd nogal lullig. Als zo’n piepbeestje wat je aan je hond geeft. Of een badeend. Vlakbij mijn staande lamp zag ik een andere mening liggen. Het was mijn mening over De Bossche Volkspartij, die via Nol Roos’ eigen TV-kanaal reclame maakte voor zichzelf. ‘Het is de Bossche Donald Trump!’, piepte de mening, ‘Voor je het weet bouwt ‘ie een muur tussen Den Bosch en Vught!’ De mening zwaaide erbij met zijn kleine armpjes. Ik pakte hem op. ‘Ja mening’, zei ik tegen ‘m, ‘Misschien wel, maar wat weten wij er nou eigenlijk van? We kennen die man helemaal niet.’ Ik liet hem terug op het kliklaminaat vallen. ‘Lafaard!’, riep de mening, maar ik negeerde hem. Op het vloerkleed, een eindje verderop, lag een groepje meningen met elkaar te vechten. ‘Laat dat!’, riep ik, maar ze waren er niet van onder de indruk. De mening dat stadspartij Knillis een belachelijke naam is had ruzie met de mening dat ze een prima programma hebben. ‘Je hebt toch ook geen politieke partij die naar Pardoes vernoemd is! Of naar clown Bassie!’ gilde de ene mening, terwijl de andere riep: ‘Al heten ze partij Boezie! Het gaat om de inhoud!’

Ik wilde naar ze toe lopen om de boel te sussen, maar daarbij trapte ik per ongeluk op de mening dat iedereen in Den Bosch op Groenlinks stemt, maar de VVD eigenlijk altijd wint. ‘Au!’, riep de mening, en daarna: ‘Er klopt geen fuck van! Van heel die verkiezingen niet!’ Ik schudde mijn hoofd en besloot hem te negeren. Nu al mijn meningen op de grond lagen had ik er zelf geen meer, en dus voelde ik niet de minste behoefte om in discussie te gaan. In plaats daarvan pakte ik de stofzuiger en stak de stekker in het stopcontact. Bij het zuigende geluid keken alle meningen op. ‘Nee!’, gilden ze, ‘Niet doen! Zonder ons ben je niets! Een meningloos windvaantje! Wat zullen ze op Twitter wel niet van je denken!’

‘Kan me niet schelen’, zei ik, en ik zoog ze op. Jammerend verdwenen mijn meningen in de lange slang, om gesmoord te worden in de zwarte eeuwigheid van de stofzuigerzak. Het werd stil.

Dit voorval is nu een paar weken oud. Het is even wennen, zo’n leven zonder meningen, maar op zich lekker rustig. Alleen nu de gemeenteraadsverkiezingen aanstaande zijn kom ik in moeilijkheden. Ik kijk om me heen in mijn eigen stad, maar het lukt me niet meer ergens iets van te vinden. Wie niks vindt, weet ook niet bij welke partij hij terecht kan. Ik heb gisteren een tijdje naar de put op de markt staan kijken. Dat hopeloze gevaarte was voorheen reden genoeg om nooit op de VVD te stemmen, maar ineens kon die put me geen reet meer schelen. Ja, dacht ik bij mezelf, het ding is lelijker dan een psoriasisvlek, maar waarschijnlijk ook nét zo ongeneeslijk, dus waarom zou je je er nog druk om maken?

Ik besloot de stemwijzer te raadplegen. Dertig vragen. Aan het eind had ik bij elke stelling het middelste knopje aangeklikt: “Geen mening”. De site liep vast en ik kreeg geen stemadvies. Dus nu ben ik hier. Zonder meningen, op zoek naar een man of vrouw die mijn stem verdient.

Hoe dan, vraagt u zich af? Welnu, niet door te luisteren. Maar door te kijken. Ik kan u dat warm aanbevelen. Schudt net zo lang met uw hoofd tot alle meningen eruit lazeren, en kijk uw volksvertegenwoordigers dan recht in de ogen. Wie knippert is af.

Want meningen, ach de meningen; wat moeten we er eigenlijk nog mee? Het maatschappelijk discours is er de laatste jaren toch al niet mooier op geworden. Niemand durft nog zacht te praten; iedereen moet vol op het orgel. De samenleving is effectief uit elkaar gespeeld en als je gelooft dat wat er op Twitter geschreven wordt representatief is voor onze wereld, dan staat de collectieve zelfmoord je nader dan het lachen. Twee kampen beschuldigen elkaar van nepnieuws, en meer dan ooit lijken politici die verdeeldheid eerder aantrekkelijk te vinden voor hun eigen winkeltje, dan iets waar juist zíj wat aan moeten doen.

Dus putten op de markt interesseren me niet meer zoveel. Links en rechts; het zal allemaal wel. Het allerliefst wil ik mijn leiders aan kunnen kijken en dan het gevoel hebben dat ik geen wandelende stem ben. Dat ik ze mijn vertrouwen geef, en dat zij dan zorgen dat het goed komt. Linksom om rechtsom. Gewoon; goed. Menselijk. Liefdevol. Liefst zou ik willen dat alle lijsttrekkers vandaag twee uur lang hun waffel hielden. Dat ze op een rijtje zouden gaan staan, en dat wij dan langs zouden mogen lopen om ze heel diep in de ogen te kijken. En wat we daar dan zien, dat is eigenlijk alles wat we weten moeten.