Annabel

door Lucas de Waard

Dit verhaal werd geschreven voor en live voorgedragen tijdens
festival Radio Verkade 

 

Er zit een man naast het bed. Naast hem, op de grond, staat een zwarte dokterstas. Hij heeft zijn hand op mijn pols. Zijn huid is ruw en zijn vingers trillen een beetje, van ouderdom denk ik, of misschien is hij ooit ziek geweest.
‘Een grote dosis?’, informeert hij, terwijl hij met zijn andere hand de koffer open klikt. Hij haalt er een injectiespuit uit.
‘Ja’, zeg ik. En ik doe mijn ogen dicht. Ik kan niet tegen naalden. Het prikje is kort en nauwelijks pijnlijk maar het gaat om het idee. Ik hoor hem met zijn vinger tegen de spuit tikken.
‘Waar wil je heen?’, vraagt hij.

De man loopt de trap af. Langzaam, zonder om te kijken. De leren dokterskoffer weerspiegelt het fletse gele licht dat van een lullig peertje aan het plafond komt. Het is een vierkant trappenhuis, ik kan hem blijven volgen tot hij beneden in het donker verdwijnt. Ik adem in en uit en blijf kijken, alsof er nog iets gaat gebeuren, maar er gebeurt helemaal niks.

Ik ga weer op het bed in de woonkamer liggen, sluit mijn ogen en droom over een val van een flatgebouw. De wereld tolt en ik hoor een zuigend geluid, alsof alles in een grote machine verdwijnt. Dan is er ineens water, zwarte kou en daarna niks. Ik zink, en om me heen zinken er voorwerpen met me mee. Een klok, een bureaustoel, een kettinkje, een jurk. Dan word ik wakker, zeiknat van het zweet, en grabbel ik mijn nachtlampje omver. Ik moet direct pissen, en daarna lurk ik aan de kraan tot ik buikpijn heb. Het water blijft staan in de wasbak. Er zit een hompje etensresten in de weg. Ik pulk het los en met een gorgelend geluid verdwijnt het water in het putje. Ik kijk uit het raam. Een stad strekt zich zwijgzaam uit in de zomerzon. Het is Londen, zie ik. Ik herken een reuzenrad en de Big Ben en die enorme rivier waarvan de naam me ontschoten is. Typisch… ik ben dus in Londen. Helemaal vergeten wat ik hier doe. Hoe lang ben ik hier al? Van wie is dit appartement? Van mij? Het bed ruikt naar mij, en naar niemand anders. Misschien moet ik iemand bellen. Om opheldering vragen. Er is vast iemand die weet hoe ik hier in godsnaam beland ben. Aan de andere kant: ik ben net wakker. Misschien moet ik gewoon even koffie drinken.

Ik loop de voordeur uit en sla linksaf, puur omdat daar een rode dubbeldekker voor het stoplicht staat te wachten en ik dat een bemoedigend beeld vind. Ik weet nog dat Annabel het er vaak over had; Londen was haar lievelingsstad. Op een dag gaan we er samen heen, zei ze, maar die dag kwam niet, net als allerlei andere dagen die niet kwamen. Daar hoeven we niet dramatisch over te doen. Zo gaan dingen nu eenmaal. Iemand missen, bedenk ik me, is net als honger hebben; je kunt er prima mee leven, alleen ga je er een beetje hol van uit je ogen kijken.

De stad zoemt en gonst, het is zeker dertig graden en de lucht trilt boven het asfalt. Ik kan me herinneren dat Annabel me vertelde dat Londen geen rust kent, dat de stad een organisme met zeven koppen espresso in zijn mik is. Het klopt, maar ik heb er geen last van.  De wereld is dof en zacht en een beetje diffuus. Alsof ik gewikkeld ben in bubbeltjesplastic. Het is prettig.

Ik loop langs een klein parkje waar een handjevol mussen zich wast in een fonteintje. Een eindje verderop zit een hele dikke poes toe te kijken. Haar staart slaat sloom heen en weer en haar gele ogen zijn gefixeerd op de badende beestjes. Het fonteintje is niet hoog, die sprong is haalbaar, en de poes weet het. Ik blijf staan. Ze hijst haar logge lijf overeind en sluipt behoedzaam naderbij.
‘Kom op poes,’ zeg ik, ‘je kunt het.’
De vogeltjes hebben niets in de gaten. Badderen olijk door, met veel getjilp en oenig gespetter, terwijl de dikke vette dood op kousenvoeten nadert. Ik denk aan een avond die ik met Annabel doorbracht in een café met piranha’s in het aquarium. Onze gastheer had er net nieuwe goudvissen bij gegooid bij wijze van avondeten, en Annabel zat met haar gezicht tegen het glas geplakt om niks van de slachtpartij te hoeven missen.
‘Je bent niet goed’, zei ik. Het was ons derde afspraakje.
‘Kijk, ze eten het hoofd niet op!’, antwoordde Annabel, en ze wees naar een vissenkopje zonder lijf dat op de bodem van het aquarium stomverbaasd om zich heen lag te staren. Later die avond, in bed, ging ze op me zitten, keek me strak aan en zei: ik vind jou wel leuk, geloof ik.

De poes prepareert zich voor de sprong. Ik voel dat ik honger heb en bedenk me dat nu ik in Londen ben, ik Fish and chips moet eten. Volgens Annabel was dat “ranzig maar lekker”, en ik ben een liefhebber van alles dat ranzig maar lekker is. Ik zet mijzelf in beweging terwijl ik nog net zie hoe de poes met haar gezicht vol tegen de voet van het fonteintje knalt.

Het Fish & Chips zaakje is klein en ruikt naar vet. Mensen die dat een onprettige geur noemen heb ik altijd zeikerds gevonden. Ik ga aan het enige lege tafeltje zitten terwijl de man achter de toonbank vriendelijk naar me knikt. De gonzende drukte bevalt me tot nu toe prima. Ik heb wereldsteden eigenlijk altijd hysterische openluchtdiscotheken gevonden, plekken waar je alleen heen gaat omdat iemand van wie je houdt het heel graag wil, maar vandaag voel ik me bijzonder op mijn plek.

De deur gaat open. Ik kijk op. Het is Annabel. Ze draagt een wit zomerjurkje en slippers, en er zit een blauwe band in haar blonde haar. Raar. Annabel droeg nooit haarbanden. Maar goed, er is veel veranderd. Dat misschien ook wel. En bovendien, we zijn in Londen, allebei op eigen houtje, blijkbaar, dus ik zou me over een heleboel andere dingen veel meer moeten verbazen dan over die haarband, laten we eerlijk wezen.

Ze gaat naast me zitten. Ik glimlach en geef een rukje met mijn kin, een soort wat-moet-je-nou-gebaar, waarop zij terug glimlacht en de menukaart pakt. Daarop staat bijna niks. Fish ’n chips, uiteraard, en iets dat steamy sticks heet.
‘Het klopt’, zeg ik.
‘Wat klopt?’, vraagt ze.
‘Londen. Het is precies zoals ik het me voorstelde.’
‘O.’ Het is even stil.
‘Ik zag net een poes met zijn snufferd tegen een betonnen fonteintje knallen’, zeg ik, ‘Je had het fantastisch gevonden.’
‘Een poes?’
‘Ja. Een poes, een hele dikke.’
Ze reageert nauwelijks. Dit schiet niet op. Op de tafel staan soepstengels in een bekertje. Ik pak er twee en steek ze onder mijn bovenlip, in mijn mondhoeken, en maak een onnozel keelgeluid. Ik ben een walrus. Ik ben al heel vaak een walrus voor haar geweest. In plaats van te lachen kijkt ze me aan, lang en verdrietig, en ze legt heel even, een seconde of drie, haar hand op mijn been. Buiten staat een man zijn fietsband op te pompen. Met agressieve bewegingen pompt hij steeds net zo lang tot de slang van het ventiel klapt en hij opnieuw moet beginnen. Ik wil haar erop wijzen, omdat het grappig is, maar ja, die verdrietige blik en die hand op mijn been.
‘Wat doe je?’, vraagt ze.
‘Wat nou!’, zeg ik lacherig. Ik heb nog steeds die twee soepstengels in mijn mondhoeken. Eentje valt eruit. Annabel schudt haar hoofd en staat op. En op dat moment zie ik dat het Annabel niet is. Het is een ander meisje, een wildvreemd meisje, ze lijkt er niet eens op. Haar ogen zijn bruin, om te beginnen, in plaats van blauw, en ze kijken me meewarig aan. Daarna draait ze zich om en loopt de zaak uit. Ik spring overeind en volg haar, want ik wil mijn excuses aanbieden. Uitleggen dat ik doorgaans absoluut geen idioot ben die onbekenden lastig valt met achterlijke toneelstukjes. Maar als ik de deur door ben en om me heen kijk is ze weg. Waarschijnlijk heeft ze het op een rennen gezet. Ik kan haar dat niet kwalijk nemen.

Er klopt iets niet. Ik heb buikpijn. Het bubbeltjesplastic is verdwenen, en Annabel ook, en ik wil dat ze terug komt. Ook de straten zijn veranderd. De hoge gebouwen zijn weg en de stoep wordt bevolkt door mensen die ik dagelijks naar hun werk zie gaan en weer terug zie komen. De sierlijke gevels zijn van de huizen gesmolten en hebben plaats gemaakt voor baksteen. Achter me is geen Fish & Chips zaakje maar een lullige snackbar, met een Chinees achter de toonbank. De auto’s dragen gele nummerborden en de geur van een oliebollenkraam drijft voorbij. Hier is geen Big Ben, geen reuzenrad, hier is niks. Dit is thuis. Hier wil ik absoluut niet zijn.
Ik grabbel in mijn zakken op zoek naar mijn telefoon maar vind alleen pluis. Godver. Niet hier zijn, ik wil niet hier zijn, niet missen. De man. Ik heb de man met zijn aanstellerige dokterskoffer nodig. Hij heeft me beloofd dat het dag lang werken zou.

Er komt meisje langs met heel veel mascara op en een zwarte gescheurde panty aan, die een Iphone met konijnenoren vasthoudt. Mag ik even bellen, vraag ik, en gek genoeg mag het. Ik hoor de telefoon twee keer overgaan.

‘Hallo?’ De stem van de man klinkt alsof ik hem wakker bel.
‘Het werkt niet’, zeg ik kwaad.
‘Ah, u bent het’, zegt de man, ‘Zijn er klachten?’
‘Het werkt niet, lul, dat zeg ik toch? Ik ben niet waar ik zijn wilde, ik ben thuis. Ik zie alles en ik voel alles en ik mis haar.’
De man zwijgt. Ik hoor een raspend geluid, misschien krabt hij aan zijn kin of zoiets.
‘Ik kom vanavond weer langs’, zegt hij, ‘Misschien heb ik mis geprikt. Of misschien reageert uw lichaam er nog wat conservatief op.’
Ik vraag me af wat dat in hemelsnaam betekent en of dat wel een term is, maar de man heeft al opgehangen. Ik geef de telefoon terug aan het meisje. Ze neemt hem aan en stopt hem in een versleten rugzak. Kijkt me aan met een blik die lijkt te vragen of er nog iets anders is dat ze voor me kan betekenen.

‘Ben jij wel eens in Londen geweest?’, vraag ik.
Ze schudt van nee. ‘Ik krijg nogal gauw heimwee.’ Ze veegt een lok uit haar zwart omrandde ogen. Ik knik.
‘Dat ken ik’, zeg ik.