De Burgeroorlog – deel I

door Lucas de Waard

Het kan zijn dat ik wat vergeetachtig overkom. Dat moet u me dan maar vergeven. Ik heb een baksteen tegen mijn hoofd gehad. Sindsdien lopen de zaken wat door elkaar. Gisteren is ineens vijf jaar geleden en vijf jaar geleden voelt als gisteren. Afijn, het gaat er in het leven vooral om wát er gebeurt, en niet per se wanneer, als je ’t mij vraagt. Als je eenmaal de vijftig gepasseerd bent gaan de dagen op elkaar lijken. Maar had ik die verdomde baksteen niet tegen mijn ponem gehad dan had ik de geschiedenis voor u kunnen uitspellen, geloof dat maar. Nu is het een beetje puzzelen. Ik hoop dat u me het niet kwalijk neemt.

Het is oorlog, al een tijdje. De burgeroorlog noemen we hem. Zo werd hij al genoemd voordat hij begon. ‘Het kan nu niet lang meer duren’, zeiden sommige mensen, in columns, talkshows en artikelen. ‘Er komt een moment dat men het niet langer pikt.’ Dat moment kwam, maar ik weet niet of dat nu betekent dat ze gelijk hadden, of dat ze er met hun taal van vuur en bloed zelf voor gezorgd hebben. Niet dat het er nog toe doet.

Gisteren werd er gevochten, niet ver van onze voortuin. Vanaf de tweede verdieping kon ik het een beetje volgen; we hebben daar een soort kijkspleet gemaakt. Er waren twee groepen. De ene had de andere klem gedreven tussen een huis en een bestelbusje. Ze smeten met stenen en zwaaiden met fietskettingen. Toen klonk er een pistoolschot en iedereen stoof uiteen. Twee jongens bleven liggen, tegen elkaar aan, alsof ze samen sliepen. In het donker leek de plas bloed die zich rond hun hoofden vormde zwart.

Elske zegt dat ze het voelde aankomen, deze hele toestand. ‘Het zat onder de straatstenen’, zegt ze. ‘Je kon het voelen zinderen als je je hand tegen het wegdek hield. Je kon het ruiken.’ Maar Elske is haar verstand kwijtgeraakt toen ze Julius het huis uit sleepten en doodsloegen met houten planken die ze van de schutting getrokken hadden. Dus die zegt maar wat.

Dit huis is een fort. Er komt niemand in of uit. We hebben houten platen tegen de ramen gespijkerd, sinds het incident met Julius. Op de voordeur zitten drie sloten. Alleen ik, Elske, Najib en het stelletje van de zolder wier naam ik steeds vergeet hebben de sleutel. Er mag niemand meer bij. En er gaat ook niemand weg. We zouden me daar belazerd wezen. Binnen deze muren hebben we een acceptabele kans om dit te overleven. Aan de buitenkant hangt een grote, witte vlag, waar “neutraal” op staat. Dat helpt, zei men tegen ons, maar vertel dat Julius maar eens.

Najib is jarig vandaag. We hebben geen cadeau, uiteraard, maar we zingen wel voor hem. Dat wil zeggen, Elske en ik. Het stelletje van de zolder komt niet naar beneden. Ze proberen een liefdesbaby te verwekken, geloof ik, want ze blijven hele dagen in bed.
‘We hadden ze niet in huis moeten nemen’, zegt Elske als Najib in de keuken limonade staat te maken.
‘We hebben jonge mensen nodig.’
‘Jij bent niet zo heel oud.’
‘Ik vergeet dingen.’
Elske haalt haar schouders op en pakt haar shagbuil. ‘Er is ook nog maar weinig wat je moet willen onthouden.’
Najib komt de kamer binnen met drie glazen limonade.
‘Waar hebben jullie het over?’
‘De wereld’, zeg ik.
‘De wereld kan de tering krijgen.’ Hij deelt de glazen uit en we proosten.
Najib woonde hier als eerste. Eerst nam hij Elske en Julius in huis (hun flat was tot op de kelder afgebrand) en daarna mij. Hoe dat precies gegaan is weet ik niet meer. Vanwege die baksteen. Ik weet alleen nog dat ik journalist was en dat ik de straat niet meer op kan. Dat ze daar weten wie ik ben. Althans, dat zeggen Najib en Elske tegen me.

Najib pakt zijn tablet van tafel. Elke dag kijkt hij hele uren op Twitter. Zelf schrijft hij niks; hij is bang dat ze zijn locatie kunnen achterhalen. Hij heeft een anoniem account. PaarseHagedis heet hij, niemand weet waarom.
‘In Brabant schijnt het rustig te zijn’, zegt hij, terwijl hij met zijn vinger over het scherm aait.
‘Onzin. Eindhoven is helemaal afgefikt.’ Elske rookt haar zelf gedraaide sigaretje, de twee vingers waartussen ze hem geklemd houdt strak naar boven wijzend.
‘In de dorpen’, zegt Najib. ‘In de dorpen is het kalm.’
‘We kunnen niet naar de dorpen.’
‘Waarom niet?’
‘Hoe wil jij daarheen?’
Najib denkt even na. ‘Nou,’ begint hij, maar een enorme dreun overstemt hem. De grond trilt. Elske duikt in elkaar en Najib laat zijn tablet vallen. Gelukkig hebben we vloerkleed. Er dwarrelt een beetje stof van het plafond.
‘Godverdomme’, prevelt Elske.
‘Het is niks’, zeg ik.
Maar dan klinkt er nog een. En nog een.

[wordt vervolgd]

 

Leuk stukje? Mijn boeken koop je bij de betere boekhandel
(zoals Heinen) of hier.