De vliegtuigen

door Lucas de Waard

Geschreven voor en voorgedragen tijdens de Nijmeegse Kunstnacht.

Ze sproeien boven de stad. Ik hoor de vliegtuigen door het plafond heen. Gebrom in diepe, bozige bastonen; trillende glazen; het golft af en aan als een reuzeninsect op zoek naar bloed. Het is de derde nacht op rij nu. Ze proberen iets te verdelgen. Ze proberen de wereld te redden.
Hier in dit café grijpt iedereen de gelegenheid aan om nog wat langer te blijven. Niet naar buiten gaan, misschien krijg je er wel kanker van. God weet wat voor chemische troep het is. Hierbinnen is het veilig. Hierbinnen weet je precies waar je ziek van wordt.
Ze hebben niet gezegd wat ze nu precies proberen uit te roeien, met die vliegtuigen. Vertrouw ons maar, zeiden ze. Gisteren was het op tv. “Vertrouw ons maar”.

Er komt hier vaak een man – Berry noemen we ‘m, al heeft ‘ie volgens mij een ingewikkelde Oekraïense naam – die miljonair is geweest. Althans, dat zeggen ze. Berry zou ooit de vriendenloterij gewonnen hebben. Dat is een loterij waarbij je een prijs maal vijf krijgt, zodat je hem met vrienden kunt delen. Berry kreeg te horen dat hij een miljoen had gewonnen, en dat hij derhalve vier vrienden ook een miljoen mocht geven. Daar zat ‘m de kneep: Berry heeft geen vrienden. Het schijnt dat hij heeft gezegd dat hij die andere miljoenen ook wel zelf wilde hebben, maar daar kwam niks van in. Toen probeerde hij het geld aan vaste gasten van dit café te geven. Die wilden het niet. Ze waren bang dat ze bij Berry in het krijt zouden staan. Dat hij zich met het geld op hun levens zou inkopen, en dan kwam je er nooit meer vanaf, zoals je ook nooit van Berry afkwam als hij je een verhaal vertelde waar je niet om gevraagd had. Uiteindelijk heeft hij de miljoenen aan een groepje dakloze panfluitindianen gegeven en zijn eigen geld er binnen een jaar doorheen gejaagd, dankzij een hele slechte investering in een attractieverhuurbedrijf. Ballenbakken, draaimolens en springkussens en zo. Geen euro van teruggezien. Sindsdien is hij op zoek naar die panfluitindianen, maar die zijn met hun geld de stad ontvlucht en nooit meer gezien. Dat is, althans, het verhaal. Ik wil niet aan Berry vragen of het waar is. Voor je het weet zit ik weer een uur naar zijn gezwam te luisteren. Berry is zo iemand die nootjes eet terwijl hij praat. Iedereen die wel eens een gesprek gehad heeft met iemand die tegelijkertijd nootjes at weet hoe verschrikkelijk dat is.

Ik heb het idee dat de vliegtuigen lager vliegen dan gisteren. Het klinkt alsof het oorlog is, buiten. Maar wij zitten hier, en hier ruikt het naar bier en naar de sigaretten die de barman stiekem in de keuken rookt, onder de afzuigkap.

Ik kom hier al jaren. Vroeger kwam ik met m’n vriendin, Ellen, maar Ellen is m’n vriendin niet meer. Geen idee waarom. Op een dag kwam ze niet meer thuis. Ik denk wel eens dat ze op straat een panfluitindiaan met een miljoen euro op zak is tegengekomen, en met hem is vertrokken naar waar panfluitindianen dan ook vandaan komen.
Sinds Ellen weg is heb ik een hond. De hond heet ook Ellen. Nu ik erover nadenk: de hond zit op dit moment in de tuin en kan niet naar binnen. Ik hoop maar dat wat ze sproeien niet schadelijk is voor zo’n beestje. Dat ik Ellen niet morgen hartstikke dood in de tuin aantref. Dat zou ik toch zielig vinden. Hoewel het beestje de naam van een onbetrouwbare hoer heeft, verdient ‘ie dat nu ook weer niet.

De barman maakt een opwaarts knikje met zijn hoofd, zo van ‘Nog een biertje?’, en ik steek mijn duim op. Het is een vreugdeloos duimpje. Straks zijn de vliegtuigen klaar en keert de stilte weer terug. In dit café staat de muziek zo zacht dat het de stemmen van de paar mensen die praten lijkt te absorberen. Dat hoort zo. We komen hier allemaal graag, omdat de sfeer hier niet zo vrolijk is. Dat legt de lat lekker laag. Dit is een café waar eenzaamheid niemand misstaat.

De vliegtuigen vervolmaken hun laatste rondje en het gebrom trekt zich terug in de nacht. Ik vraag me af of dat wat er verdelgd moet worden onderhand niet eens een keer dood is. Wat het dan ook moge zijn. Misschien is het die eenzaamheid wel. In dat geval houden we de ramen en deuren nog even lekker dicht.