Met Geert Wilders naar de Blokker

door Lucas de Waard

‘Hallo’, zei de bezorger, ‘Uw buurman is niet thuis. Wilt u dit pakketje misschien voor hem aannemen?’
Dat wilde ik niet, maar ik zei toch ja, want ik ben een nette jongen.
‘Dank’, zei de bezorger, ‘U bent een goed mens’.
Ik wilde hem zeggen dat ik gisteren nog nootjes naar een dronken man had zitten gooien, maar slikte de woorden in. Ik ging naar binnen en zette het pakketje naast mijn strijkijzer. Daar bleef het een paar dagen staan. Ik schreef wat aan mijn nieuwe boek en kookte twee keer coq au vin. Één keer met rode en één keer met witte wijn. Toen besloot ik – het was inmiddels vrijdag – toch eens bij de buurman langs te gaan. Het pakketje stond in de weg. Maar er was geen buurman meer. Het huis was leeg. Door het raam zag ik de betonnen vloer en de vaalwitte muren met wittere vlakken erop. Daar hadden zijn filmposters gehangen.
Thuis zette ik het pakketje op tafel. Ik keek er een tijdje naar, ging er bij zitten en legde mijn voorhoofd er even tegenaan, pulkte wat aan de randjes, scheurde uiteindelijk de tape er vanaf en opende het.
In het pakketje zat Geert Wilders, in kleermakerszit, te midden van wat plukjes stro. Hij keek chagrijnig omhoog. Hij was hooguit veertig centimeter groot.
‘Geert Wilders?’, vroeg ik, terwijl ik hem best herkende, maar ik moest toch wat. Zijn zwarte kraaloogjes blikkerden boos.
‘Ja, dat zie je toch?’, zei hij, en hij stond op, pakte de randen van de doos vast en klom eruit.
‘Hoe ben jij zo klein geworden?’, vroeg ik.
‘Dat is een heel lang verhaal’, zei Geert Wilders, terwijl hij zich op de tafelrand neerzette en in het rond keek, ‘Vind je het goed als ik daar nu niet op in ga?’
Ik zweeg. Geert Wilders leek niet in de stemming voor gezeur.
‘Wie ben jij?’, vroeg hij vervolgens, en hij wees naar me met een priemend vingertje.
‘Ik ben Lucas’, antwoordde ik, en na een korte pauze: ‘De Waard. Ik ben schrijver. Heb het pakketje aangenomen voor mijn buurman, maar die is weg.’
Geert Wilders keek me aan, vorsend, en knikte toen langzaam, ten teken dat hij de verklaring afdoende vond. Daarna blikte hij wat om zich heen, mijn interieur in zich opnemend. Op mijn salontafeltje stond een schaal kerst-M&M’s. Het was nog geen kerst; ik had ze over van vorig jaar, en ze stonden er min of meer ter decoratie. Geert Wilders sprong van de tafelrand, holde naar de schaal en begon M&M’s te eten. Met zijn kleine handjes propte hij ze in zijn mond en slikte ze door zonder al te veel te kauwen. Ik ging naar de keuken om thee te zetten. Terwijl er bruine sliertjes uit het theezakje kringelden die langzaam het hete water inkleurden hoorde ik in de kamer gerommel in mijn CD-kast.
‘Je hebt alleen maar kutmuziek!’, riep Geert Wilders. Ik deed of ik hem niet hoorde. Ik roerde honing door de thee en nam een slok, maar het was natuurlijk nog veel te heet.
Toen ik terugkwam in de kamer stond Geert Wilders een klein jasje aan te trekken, dat blijkbaar ook in de doos had gezeten.
‘Kom, zet die thee weg’, zei hij, ‘Ik wil de stad in.’
‘Waar wil je heen dan?’, vroeg ik.
‘Naar de Blokker.’

Met Geert Wilders op mijn schouder liep ik het centrum in. Het was rustig. Er waren wat landerig rondhangende pubers, een oud vrouwtje dat bibberend friet at, en een straatmuzikant; een donkere man die op een viool speelde.
‘Kijk’, zei ik, ‘Een gelukszoeker’. Maar Geert Wilders was afgeleid door een stroopwafelkraam, die een eind verderop stond. Hij wees en klapte in zijn handjes.
‘Ik wil een stroopwafel!’
‘Je hebt net M&M’s gehad’, zei ik. Geert Wilders knikte.
‘Ja, dat is waar’, zei hij.

In de Blokker was het al even uitgestorven als in de rest van de stad. Er hing een dik kassameisje onderuit in haar stoel op een lolly te zuigen. Volgens haar naamplaatje heette ze Destiny. Geert Wilders sprong van mijn schouder en holde naar het rek met pannen. Hij klom op het plastic krukje dat ervoor stond en trok een koekenpan van het Blokker huismerk van de muur. Hij wiebelde het ding wat heen en weer. Het handvat zat een beetje los.
‘Haha, wat een kansloze rommel!’, riep hij vrolijk. Hij sprong weer van het krukje, gooide de pan in een bak waar “Uitzoeken! 2 euro!” op stond en hinkelde naar de hoek met wc-artikelen.
‘Ik heb gehoord dat er een pleeborstel van mijn hoofd is gemaakt’, zei hij, ‘Zouden ze die hier hebben?’ Hij rommelde wat tussen de wc-borstels, maar die bleken allemaal wit te zijn en twee vijftig te kosten.
‘Saai!’, riep hij. Achter de kassa zat Destiny haar lippen in te vetten met Labello. Buiten begon het zachtjes te regenen.
‘Kom!’ zei Geert Wilders, ‘Ik heb genoeg gezien. Nu gaan we naar de HEMA.’
‘Waarom?’, vroeg ik.
‘Worst!’, gilde Geert Wilders, ‘Wat anders?’
Gelaten liep ik achter hem aan de deur uit, terwijl Destiny onverdroten doorstiftte. We staken het plein over naar de HEMA, waar Geert Wilders een rookworst kocht en die verstopte tussen de douchegordijnen. Daarna moesten we naar de Xenos, waar Geert Wilders in een prematuur kerststalletje ging staan en riep: ‘Ik ben een wijze uit het Oosten, motherfuckers!’; een grap die ik niet helemaal begreep.
Uiteindelijk eindigden we in de Action, waar ik besloot dat ik het beu was. Ik tilde Geert Wilders op en zette hem op het bovenste plankje van de kast met kaarsenhouders en spaarvarkens, zodat ik hem goed kon aankijken.
‘Wat is hier het nut van, Geert Wilders?’, vroeg ik, ‘Waar zijn we mee bezig?’
De pretlichtjes in de ogen van Geert Wilders werden dof. Hij zuchtte.
‘Ik wilde gewoon weer eens winkelen’, zei hij.
‘Kun je niet winkelen?’
‘Nee, niet zoals normale mensen. Er staan altijd zeven beveiligers om me heen. Als die er niet zouden zijn, willen mensen de hele tijd of een handtekening, óf mijn hoofd eraf snijden.’
Ik knikte. ‘Heb je het daar zelf niet een beetje naar gemaakt?’, vroeg ik, wat in het licht van onze gezellige middag misschien niet helemaal netjes was, maar ik heb ook zo mijn principes. Geert Wilders haalde zijn schouders op.
‘Doet dat er nog toe?’, vroeg hij. Ik zweeg. Er kabbelde ijle pianomuziek door de gangpaden en het rook naar stof. Geert Wilders zwiepte zijn beentjes lusteloos heen en weer en keek om zich heen. Hij wees op een rek met kerstballen, waar in grote letters “feestversiering”, boven stond.
‘Kijk’, zei hij, ‘Je mag het tegenwoordig godverdomme ook al geen kerst meer noemen.’

Een paar dagen later belde mijn voormalige buurman aan. Ik opende de deur in mijn badjas.
‘Er was hier een pakketje voor mij bezorgd’, zei hij, en hij keek langs me heen de gang in.
‘Dat klopt’, zeg ik, ‘Geert Wilders zat erin.’
Hij fronste. ‘Geert Wilders?!’
‘Ja, Geert Wilders.’
Hij schudde zijn hoofd en spuugde op de grond. ‘Ik had Jesse Klaver besteld’, zei hij, en hij draaide zich resoluut om, ‘Kut-postNL.’
Terwijl hij in zijn auto stapte en de motor startte sloot ik de deur. Ik liep terug de woonkamer in, waar Geert Wilders Call of Duty zat te spelen.
‘Wie was het?’, vroeg hij.
‘Niemand’, zei ik.