Praten

door Lucas de Waard

Deze tekst werd live voorgedragen tijdens het
Geen Daden Maar Woorden festival
in de Verkadefabriek

Ik had ooit een buurman die met vogels praatte. De vogels zeiden niks terug, maar dat maakte hem niet uit. Soms praatte de buurman ook met kinderen, maar dat hadden de mensen liever niet.
Als je echt wil praten dan doet het er niet zoveel toe tegen wie je dat doet. En ook niet of iemand luistert. Zolang jij er maar vanaf bent, van de woorden.
Zo heb ik ooit heel lang gepraat met een meisje dat mij een abonnement op het Wereld Natuur Fonds wilde verkopen.

‘Is dat van die panda’s?’, vroeg ik.

‘Ja.’

‘Dan wil ik het niet. Ik vind panda’s vervelend.’

‘Hoe kan dat nou?’, vroeg ze, met grote ogen waar heel veel mascara op, in, en omheen zat. Ze leek zelf een beetje op een panda.

‘Ik hou niet van beren in het algemeen’, zei ik. Ze keek bedremmeld naar haar klembordje, waarop een keur aan gezellige beestjes met uitsterven bedreigd werd.

‘Zelfs niet van Winnie de Poeh?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Mijn ouders zijn in de bossen van Florida dood geslagen door een beer’, zei ik. Ze legde geschrokken een hand op mijn bovenarm. Het was lekker weer.

‘Ja, ze deden een trektocht. Met een camper en zo’n open auto. En op een nacht zijn ze hun tentje uit gesleurd en dood gemept. Het schijnt dat ze niet lang hebben geleden.’

Het meisje legde haar klembordje neer en sloeg haar armen om me heen. Een eindje verderop speelde een draaiorgeltje ‘A night like this’ van Caro Emerald en ik vertelde over de jaren die erna kwamen. Hoe mijn zusje en ik van hot naar her gingen, met zijn tweetjes het leven door gesleept als projectjes die snel afgerond moesten. Hoe het altijd leek te regenen. En hoe ik vandaag de dag samen ben met een vriendinnetje dat altijd slaapt met een knuffelbeer. En dat ik daardoor geen oog dichtdoe, maar dat dat laatste dan wel weer goed is voor mijn roman, die tot nog toe zevenhondertwaalf pagina’s beslaat.

En zo stonden we daar. Het was een knap meisje. Ik vroeg me af of ze me ook omhelsd had als ik mijn eigen levensverhaal verteld had. Maar eigenlijk doet dat er niet toe.

Ik liep naar huis. Voor de deur trof ik de buurman aan. Hij zat een poes te voeren.

‘Ja poes’, zei hij, ‘Vroeger lag ik elk weekend een ander wijf te neuken. En nu zit ik hier met jou te praten. Het kan raar lopen.’

En daar had hij verdomme gelijk in.