Prijsvraag

door Lucas de Waard

Laatst zat ik in de droomvlucht met Paul de Leeuw. Ik was in mijn eentje naar de Efteling gegaan. Dat is een beetje raar, dat begrijp ik best, maar ik had een prijsvraag gewonnen. Die stond in een tijdschrift voor mensen met het syndroom van down, gevonden in de wachtkamer van de huisarts. Een afbeelding van een schaduw en dan moest je raden om welk dier het ging. Nou, dat was een olifant, dat zag elke idioot.

Bij de entree nam ik een button met ‘Winnaar’ erop en een argwanende blik in ontvangst en koerste rechtstreeks naar de Droomvlucht, want waarvoor ga je anders naar de Efteling? De rij was lang en het regende een beetje. Ik sloot aan en niet lang daarna, achter mij, Paul de Leeuw. Ik negeerde hem en we schuifelden zwijgzaam voorwaarts.

Aanvankelijk wilde ik in mijn eentje instappen, maar een meisje in een Efteling-uniform maakte bezwaar. Er wilden heel veel mensen in de Droomvlucht en als iedereen zijn eigen karretje zou nemen was het eind zoek.‘Ik heb een prijs gewonnen’, zei ik. Nou, dat kon allemaal wel wezen, maar dat was nog geen reden om een heel bakje voor mezelf op te eisen. Dus of ik een beetje op wilde schuiven. En toen stapte Paul de Leeuw bij mij in het karretje.

‘Hallo’, zei Paul de Leeuw.

‘Hallo’, zei ik. De attractie zette zich in beweging en een tunnel vol lichtjes later bevonden Paul de Leeuw en ik ons in een wereld vol elfjes en trollen.

‘Ik heb honger’, zei Paul de Leeuw. Hij trok een zakje boterhammen open en begon te eten.

‘Is dat speculaas?’, vroeg ik.

‘Ja’, zei Paul de Leeuw. We zwegen weer. Er kwamen planeten met kastelen voorbij, en lichtgevende plantjes die twinkelgeluidjes maakten. Paul de Leeuw bood mij een speculaasboterham aan. De speculaas was een beetje zompig maar dat gaf niet. Hij vertelde over Ranking the stars en dat ‘ie blij was daar vanaf te wezen en ik vertelde een mop over de holocaust die echt niet kon, maar we waren met zijn tweeën dus gaf het niet. Het was gezellig. Toen werd ik plotseling overmand door schuldgevoel.

‘Je kijkt bedrukt, vriend’, zei Paul de Leeuw. Ik brak.

‘Ik ben een oplichter!’, riep ik, ‘Ik hoor hier helemaal niet te zitten!’

‘Hoezo niet?’

‘Ik heb deze Eftelingdag gejat van een mongooltje!’

‘Waarom?’, vroeg Paul de Leeuw.

‘Omdat ik mongolen stom vind!’, bekende ik huilend, ‘Ik vertrouw ze niet! Ik heb het idee dat ze iets in hun schild voeren. Dat achter die blije façade een misselijke plannetje schuil gaat. En dat is niet oké. Ik wéét dat dat niet oké is! En nu zit ik hier met jou. De godfather van de down-televisie! Jij hebt Nederland laten zien hoe leuk ze zijn. Hoe lief! En na jou kwam Johnny de Mol. En Barry Atsma. Een en al gezelligheid. Een en al liefde! Maar ik moet ze niet, Paul, ik móet ze niet! En daar haat ik mezelf om.’

Het was even stil. ‘Tja,’ zei Paul de Leeuw toen, ‘Hoe komt dat, denk je?’

‘Misschien heb ik een nare jeugd gehad’, haalde ik mijn schouders op.

Paul de Leeuw knikte; ‘Te weinig liefde ervaren?’

‘Misschien’, snikte ik, ‘Gescheiden ouders, je kent het wel.’

Paul de Leeuw klopte mij bemoedigend op de schouder. ‘Ouders van mongolen scheiden ook vaak,’ zei hij, ‘Maar die gebruiken dat niet als smoes om in de Droomvlucht te gaan zitten janken.’ Hij pakte mijn speculaasboterham af. ‘Lul’, zei hij.

Ons karretje verliet de laatste tunnel en taxiede de wachtruimte in. Daar nam Paul de Leeuw afscheid en werd mijn button afgepakt.

‘Dat is een prijs voor downies’, zeiden ze, ‘Ga weg’, en ik werd het park uitgezet. Tijdens de busrit naar huis sloeg de regen onverbiddelijk tegen de ruiten.