Stervende

door Lucas de Waard

Het was vroeg. Ik sloot de deur achter me en besefte dat de angst om dood te gaan in mijn botten was getrokken. Het was begonnen in mijn maag, maar inmiddels had het bezit van heel mijn lijf. Het zat overal. Waarom weet ik niet precies, maar er was een beestje in me komen wonen. Waar het vandaan kwam moest nog maar blijken, laat staan hoe we hem weer naar buiten moesten werken, maar zijn aanwezigheid stond als een bloedrode paal boven water. Ik ging dood. Daar was ik mooi klaar mee.
Mijn dokter geloofde me niet. Natuurlijk niet, mijn dokter geloofde me nooit.

‘Ik ga eraan, dokter. Ik ben er geweest. We konden erop wachten.’

‘Zo’n vaart zal het niet lopen, Lucas.’

‘Nee, dat zal wel weer niet.’

Volgens mijn dokter liep het zo’n vaart nooit. Het zou wel weer meevallen. De vorige aanval van acute kanker in al mijn cellen had ik immers ook met succes afgeslagen, nietwaar?
De man was nergens goed voor.
Ik trok de kraag van mijn jas omhoog – dat maskeert mijn ongewoon lange nek en laatst zei een meisje tegen me dat ik eruit zag als Sherlock Holmes – en liep de parkeerplaats over. Mijn fiets was natgeregend.

‘Als ik slik, dokter, dan proef ik bloed in mijn keel.’

‘Volgens mij ben je een beetje verkouden.’

‘Ik ben niet verkouden, ik ga dood.’

‘Drie maal daags een paracetamolletje, dan voel je er niets meer van.’

‘Ik poets mijn tanden met paracetamol!’

Ik schudde de druppels van de Albert Heijntas die ik om mijn zadel had gevouwen en stapte op. In de verte zag ik blauwe lucht. Hij dreef van me af.

‘Er woont een beestje in me, dokter. Een kankerbeestje.’

‘De tien minuten zijn om.’

‘Mijn tijd, die is om!’

Ik snoof mismoedig en fietste de kille lenteochtend in. Ik miste het leven nu al.

Bij de kassa in de supermarkt laadde ik langzaam en zuchtend mijn boodschappen op de lopende band. Ik had alleen maar schandalig dure artikelen in mijn mandje gegooid, het een nog overbodiger dan het andere, maar in het zicht van mijn naderend einde kon ik het me niet veroorloven krenterig te zijn.

‘Feestje?’, kwinkeleerde het kassameisje.

‘Nee, ik ben stervende.’

‘Ha ha ha!’, antwoordde ze, ‘U bent helemaal niet stervende! U bent hartstikke jong. In dat kader: mag ik uw identiteitsbewijs even zien? Anders kunt u die chardonnay mooi vergeten!’

Ik overhandigde mijn ID-kaart. Ze hem nam stralend aan en keek lang naar mijn foto.

‘Wat kijkt u hier chagrijnig’, zei ze, ‘Was u toen ook al bezig met de dood?’

‘Ik ben niet bezig met de dood. De dood is bezig met mij.’

Ik propte mijn boodschappen in een tas en liet het rotkind voor wat ze was. Misschien moest ik weer beginnen met roken. Daar was ik zeven jaar geleden mee gestopt maar het had, zo bleek, geen zak uitgemaakt. Ik voelde een zekere behoefte om een middelvinger naar het lot op te steken en roken was daar destijds erg geschikt voor geweest. Je moet dingen niet moeilijker maken dan ze zijn.

Bij de sigarettenbalie stond Maryam. Maryam is mijn lievelingskassameisje, al hoeft geen mens dat te weten, Maryam zelf in het bijzonder niet. Ze keek me aan met haar grote blauwe ogen en glimlachte.

‘Hai!’

‘Mag ik een pakje Lucky Strike?’

‘Rook jij?’ Ze keek een beetje teleurgesteld, al kan het zijn dat ik me dat verbeeldde. Ik zette een plechtig gezicht op.

‘Ja, vanaf vandaag weer. Maar het is okay. Ik ben stervende.’

Ze trok een van haar geëpileerde wenkbrauwen op.

‘Stervende?’

‘Jazeker. Aan kanker, naar het zich laat aanzien. Over een jaar ben ik hartstikke dood.’

‘O.’ Ze speelde wat met het pakje sigaretten. Overhandigde het niet. ‘Zonde’, zei ze toen. Ik knikte. Ze schoof het pakje naar me toe en nam het briefje van tien aan dat ik haar al een tijdje voorhield. Ze stopte het in de kassalade en telde traag en treurig mijn wisselgeld uit. Ik wiebelde wat van mijn linkervoet op mijn rechter en weer terug. Toen stopte mijn hart met kloppen. Ik hield mijn wijs- en middelvinger tegen mijn halsslagader om het zeker te weten, maar er was geen twijfel mogelijk.

‘Wat is er?’, vroeg Maryam.

‘Mijn hart staat stil.’

Ze keek geschrokken en legde haar hand op de witte, platte telefoon op de toonbank.

‘Echt?’, zei ze. Ik knikte. Ze haalde de hoorn van de haak en legde hem tegen haar oor. Even gebeurde er niets. Er was sprake van een moment, maar wat voor een, dat wist ik niet precies.

‘Misschien valt het mee’, zei ik toen.

‘Mee?’

‘Ja, misschien kom ik goed weg.’ Ik stopte de sigaretten in mijn kontzak.

‘Hoe dan?’, vroeg ze. Ik haalde mijn schouders op.

‘Ach, het schijnt dat je met drie paracetamolletjes per dag een heel eind komt.’

Ze keek me vragend aan, schudde haar hoofd en wendde zich tot een oude vrouw naast me. Ik tilde mijn boodschappentas op en liep naar buiten. De zon scheen, inmiddels.