VLEK (een literaire romcom)

door Lucas de Waard

Dit verhaal verscheen eerder in literair tijdschrift De titaan,
editie #6, 2015

“Zestig procent van liefdesverdriet is vernedering”, zei ooit iemand. Ik weet even niet meer wie. Misschien was ik het zelf wel.

‘Wilt u daar dierenplaatjes bij?’

Ik schud van nee. Ik hoef geen dierenplaatjes. Iemand die op het punt staat in zijn eentje naar een bruiloft te gaan omdat zijn plus one twee dagen geleden stelde niet meer van hem te houden, sterker nog, van een ander te houden; een ander die ook schrijft maar er wél ontzettend veel geld mee verdient, zo iemand hoeft geen dierenplaatjes. Zo iemand wil een handvol pillen wegspoelen met de fles vlekverwijderaar die hij zojuist heeft afgerekend. Boven mijn hoofd bromt een airco. Het klinkt als een klein vliegtuigje en helpt weinig. De hitte zindert naar binnen, elke keer als er iemand door de schuifdeuren komt.

Bij de cadeautafel staat een meisje haar boodschappen in te pakken. Ze heeft al vijf pakjes klaar en staat nu feestelijke papier om een zak slamix heen te vouwen. Ik sta even stil. Getuige de berg artikelen die naast haar ligt te wachten wordt het een forse cadeaustapel. Ze kijkt op.

‘kom eens hier’, zegt ze.

Ik aarzel. Ik moet nog een joekel van een mosterdvlek uit mijn overhemd verwijderen en over anderhalf uur begint de bruiloft van neef Peter, de bruiloft waar ik geacht wordt te verschijnen met aan mijn arm Lena, de voormalig toekomstig moeder van mijn kinderen.

‘Vandaag nog’, zegt het meisje. Ik schuifel naar haar toe. ‘Hier je vinger houden’. Ik plaats mijn vinger op een plek waar twee uiteinden van het papier elkaar treffen. Het meisje trekt een stuk plakband van de rol en bevestigt de boel. Ik mag weer loslaten.

‘Veel cadeaus’, zeg ik.

Ze knikt blij, scheurt een nieuw lap cadeaupapier af en grist een pot witte bonen in tomatensaus van de berg. ‘Ik hou van uitpakken’, zegt ze, ‘Mensen pakken te weinig uit.’

Ze vouwt en plakt nijver door, terwijl ik aan Lena denk, die nu waarschijnlijk in Marbella zit. God weet waarom in Marbella, maar dat lijkt me een plek waar mensen die veel geld verdienen een meisje mee naartoe nemen, bij voorkeur een meisje dat ze net hebben afgepakt van een minder succesvolle vakgenoot.

‘Ik moet naar een bruiloft’, zeg ik, om de wanhoop het zwijgen op te leggen.

Het meisje kijkt niet op. Ze is een fles wasverzachter aan het inpakken en dat is makkelijker gezegd dan gedaan. ‘In je eentje?’, vraagt ze. Ik knik, maar dat ziet ze niet.

‘Lekker dan.’ Ze legt het cadeau bij de andere pakjes, zet haar handen in haar zij en blaast een lok uit haar gezicht. Ze zweet. ‘Als jij nou helpt met de rest van deze pakjes ga ik mee’, zegt ze. De airco schakelt een tandje bij en het kassameisje deelt nog altijd dierenplaatjes uit.

‘Mee?’

‘Ja. Mee. Of wil je soms alleen?’

 

Meteen als mijn neef, gestoken in een belachelijk bordeauxrood pak, op me af komt lopen weet ik dat dit een vergissing was.

‘Lucas, pikkebaas, laat me je omhelzen!’ Peter heeft ooit ergens het idee opgedaan dat scheldwoorden gecombineerd met joviaal schoudergemep hem de eeuwige jeugd verschaffen, maar dat ziet hij verkeerd. ‘En wie is dit?’ Hij kijkt naar het meisje naast me dat, zo weet ik inmiddels, Iris heet. ‘Waar is Lena?’

Iris overhandigt hem een cadeau. ‘Van harte!’, zegt ze. Peter neemt het aarzelig in ontvangst.

‘Wat is het?’, vraagt hij.

‘Een pot mayonaise’, zegt Iris. Peter kijkt me even aan en begint dan te lachen, hard en met een raar soort scheurgeluid. Omdat hij rookt, denk ik.

‘Ik vind deze nu al leuker, Lucas!’, roept hij, en hij loopt door naar een volgend stel dat de feestzaal binnen komt.

Peter en Adelina zijn al twaalf jaar bij elkaar. Maar omdat ze dankzij een overleden vader ineens belachelijk veel geld hebben is er nu een bruiloft, met de grandeur van een offerfeest. Ik kijk om me heen, een soort caleidoscopische ervaring van jurkenpracht, glittergordijnen, een idioot buffet en, jawel, een ijssculptuur. Er zijn vreselijk veel mensen, mensen die ik vrijwel allemaal vaag tot zeer goed ken, en geen van hen weet dat Lena bij me weg is. Naast me staat Iris in een cocktailjurkje dansbeweginkjes te maken. Ik had hier langer, en beter, over na moeten denken.

De volgende die op ons af stapt, nadat we vijf minuten doelloos rond hebben gedoold en twee glazen champagne achterover hebben geslagen, is mijn moeders zus Louise. We staan bij de sigarettenautomaat, omdat ik besloten heb dat ik in het licht van deze kansloze bak ellende best weer kan gaan roken, maar ik kom kleingeld te kort.

‘Zeg, jij was toch met Lena?’, vraagt Louise. Ik open mijn mond, traag, omdat ik nog een antwoord moet verzinnen, maar Iris is me voor.

‘Lena is weg’, zegt ze, ‘Ik ben de Nieuwe Lena, alleen heet ik Iris en vind ik succes niet zo heel erg belangrijk.’ Ze steekt haar hand uit die door Louise geschud wordt. Ik heb het vreselijk warm en realiseer me dat ik de mosterdvlek niet verwijderd heb en dus mijn jasje niet uit kan doen.

‘Leuk, Lucas, een nieuwe liefde. Waar hebben jullie elkaar leren kennen?’

‘Daarstraks in de supermarkt’, zegt Iris. Ze knijpt in mijn kont en voegt eraan toe: ‘Ik hou van opknappertjes’. Ik vraag me af of ik nog kan praten. Ik kan me de laatste keer dat ik het deed niet herinneren. Ze pakt mijn hand. ‘Kom schat, we gaan garnalen eten!’, en ze trekt me mee in de richting van de dansvloer, want blijkbaar gaan we helemaal geen garnalen eten maar dansen.

‘We moeten hier weg, Iris’, zeg ik. We schuifelen op een nummer van Stevie Wonder maar verder is de dansvloer leeg. Het is pas half zeven.

‘Waarom?’

‘Omdat mijn moeder zo komt.’

‘Gezellig toch?’

‘Nee, dat is niet gezellig. Dat is hartstikke kut. Ze weet nergens van. Niemand weet ergens van.’

‘Ach boe hoe’, zegt ze, ‘Mijn ouders zaten in de MH17.’

‘Echt?’

‘Nee, dat was een grapje’, giechelt ze, en daarna: ‘Ik ga Paradise by the dashboardlight aanvragen!’ Ze holt naar de DJ, daarbij een handvol gevulde eieren van een dienblad grissend. Ik kijk ontredderd om me heen, en zie aan de andere kant van de zaal uiteraard mijn moeder binnen komen. Ik ren Iris achterna, die inmiddels wulps over de DJ-tafel hangt, pak haar bij haar pols en trek haar mee.

‘Gaan we doen?’, vraagt ze vrolijk.

‘Weg’.

 

De lichten knipperen traag aan bij thuiskomst. De helft van de lampjes in mijn kroonluchter is kapot. Ik laat Iris mijn studiowoning zien, zij duwt me achterover als ik bij de bedrand sta, trekt binnen tien seconden al haar kleren uit, daarna mijn broek en boxershort naar beneden, en gaat op me zitten. Onder haar tieten zie ik in gotische inktletters “I accept chaos” staan. Terwijl ze lome rijbewegingen met haar heupen maakt voel ik mijn telefoon trillen. En daarna nog een keer. Iris heeft haar ogen dicht, dus ik grabbel het ding onopvallend uit mijn zak. Ik heb een appje van mijn moeder: Ben je er al bijna? De sketches beginnen zo. Doen jij en Lena ook iets?. Ik leg het ding weg, pak Iris bij haar heupen en stoot mezelf dieper in haar. Want de wereld moet begrijpen: zestig procent van liefdesverdriet is vernedering. En de overige veertig is een kwestie van uitpakken.