Altijd Carnaval

door Lucas de Waard

Deze column werd live voorgedragen tijdens het Brabants Dagblad nieuwscafé
in de Verkadefabriek

In Den Bosch is het drie dagen per jaar carnaval. Althans, op papier. In werkelijkheid is het in Den Bosch op sommige plekken altijd carnaval, behalve dan misschien tijdens dodenherdenking.
Ik woon in het centrum, en tijdens avondwandelingen kun je het hele jaar door uit menig achterzaaltje ambitieus getoeter horen. De carnavalsbands repeteren.
Soms gaan ze ook de straat op, voor wat broodnodig veldwerk. Dan zwaait er zomaar ergens een deur open en is er ineens sprake van twintig blaasinstrumenten, boerenkielen en pils.
Dat, in combinatie met de steeds uitgebreidere viering van de 11e van de 11e (een soort pre-party, in november), maakt dat er nu stemmen opgaan voor minder Oeteldonk per vierkante meter. Stemmen die zeggen dat carnaval tijdens carnaval gevierd moet worden, en niet iedere keer als er ergens een klok elf uur slaat. Mensen die, zogezegd, Oeteldonkmoe zijn.

Ikzelf ben driehonderdtweeënzestig dagen per jaar Oeteldonkmoe. Direct na de laatste carnavalsdag, waarop ik dapper hossend om de vijf minuten binnensmonds heb staan overgeven, moet ik er een heel jaar lang niet meer aan denken.
Maar ja, ik ben dan ook geen “echte”. Ik sta niet al om elf over elf ‘s ochtends klappertandend naar praalwagens te kijken; daarvoor heb ik het veel te druk met me lekker nog een keer omdraaien.
Soms sms’t een meer traditiegetrouwe vriend dan: ‘Kom ‘s gauw de stad in! De “Piep & Bloas” begint zo!’. Ik zal me daar belazerd wezen. De piep heb ik al, in mijn oren, en de enige bloas die ik serieus neem is mijn eigen, op het moment dat ik pissen moet maar er een rij van twaalf man voor het toilet staat.
Carnaval is voor mij een vuurgevaarlijke cocktail van vreugde, dorst, nadorst en pijn. Geschikt om drie dagen op rij met volle teugen tot me te nemen, maar geen minuut langer.
Als ze Knillis van zijn sokkel trekken pleng ik geen tranen van verdriet maar van opluchting. Het is volbracht. Ik heb gedanst, gezopen, geknuffeld en geschreeuwd, en nu wil ik vooral erg graag naar bed.
U moet begrijpen: ik ben niet opgevoed met carnaval; heb het mijzelf moeten leren. Als autodidact was ik jarenlang voornamelijk geïnteresseerd in heel erg veel tongzoenen met heel erg veel meisjes, en met al dat ceremoniële gedoe had ik helemaal niks. Een zondagscarnavaller, en dat ben ik eigenlijk nog steeds. Wel de lusten, niet de lasten.

“De Echten” houden daar niet van: gemakzuchtig carnavallen. Die staan drie dagen lang voor dag en dauw naast hun bed, om maar niks van de zoveelste ceremonie te hoeven missen. Omdat traditie nu eenmaal traditie is hijsen zij zich manmoedig in hun stinkende kiel en dan hop naar het centrum, hun protesterende lever van repliek dienend met een lekker pilsje voor onderweg. Uitslapen doe je maar in je eigen tijd; het is tenslotte maar één keer per jaar carnaval.

Of nu ja, behalve dan met de 11e van de 11e. Dan ook. En de dagen ervoor, want je moet natuurlijk al die versieringen ophangen en van op een ladder staan krijg je dorst. Ja, en op dinsdagavond, want dan repeteert de band, en met een droge keel is het niet fijn trompetspelen.
Zoals ik al zei: de ware carnavaller wijkt in principe niet af van tradities. Tenzij het méér carnaval oplevert. Dan mag het. Want laten we eerlijk wezen: drie lullige daagjes per jaar; dat kun je nauwelijks een feest noemen.

Wat mij betreft gaat men z’n gang maar. Smeer de hele stadsagenda dicht met Oeteldonk-evenementen, laat die vlag lekker hangen en sjouw het hele jaar die tuba met je mee. Ik vind het prima. Maar dan nooit meer mij wakker bellen met het argument: ‘Opstaan! De optocht hoort erbij!’

Want als het altijd carnaval is, is het tegelijkertijd nooit carnaval.
En mag ik dus lekker uitslapen.