Ook maar een mens

door Lucas de Waard

Deze column werd live voorgedragen tijdens de Festival Boulevard Talkshow
in de Keulse Kar

Op een vreemde manier hoort Guido een beetje bij Festival Boulevard. Niemand weet waar hij de rest van het jaar uithangt, maar als de eerste paal op de parade in de grond wordt geslagen gaat er ergens een putdeksel omhoog en komt Guido tevoorschijn. Eerst zijn petje, dan zijn giftige, heen en weer spiedende ogen, dan zijn borstelsnor, en daarna de rest. Als laatste trekt hij een Albert Heijn tas vol lauwe blikken pilsener naar boven.

Niemand vraagt hem waar hij al die tijd heeft uitgehangen. En Guido vertelt het ook niet. Of nu ja, soms brult hij ineens heel hard en ongevraagd in iemands gezicht: ‘IK BEN GEEN ZWERVER! IK HEB GEWOON EEN HUIS!’
Dat vind ik jammer. Het pelt een laagje mysterie van Guido af. Dat mysterie is wel een beetje waar hij het van moet hebben.
Zo nu en dan is Guido in een goede bui. Dan biedt hij je een slokje lauw bier aan in ruil voor het aanhoren van zijn verhaal.
Niemand wil het verhaal, en niemand wil het slokje.

Maar zoals ik al zei: Guido hoort bij de Boulevard. Hij is een terugkerend element, net als het straattheater, gemekker over de statiegeld-bekertjes, grauwe schnitzels van Hutten catering en het massaal niet naar voorstellingen gaan omdat je lekker zit te zuipen.
Bosschenaren zijn dol op terugkerende elementen. Wat er al was, dat is goed. Zet een tentje neer dat men nog nooit gezien heeft en je hoort de hele week met regelmaat een afgemeten ‘Wà’s dà?’. Overigens, als je het een jaar later weg haalt, staan diezelfde mensen op diezelfde plek zich hardop af te vragen “waar toch dat tentje is dat hier altijd stond?”

En ook als Guido op een dag het leven laat zul je het zien. Dan is de Bosschenaar in de war. Als men hem nu aan ziet komen, kwaadaardig voor zich uit monkelend, zijn tas pils tegen het vege lijf geklemd, zucht men geërgerd. Zul je Guido hebben. Is die nog niet dood? Nou, daar hebben we mooi geen trek in.
Guido voelt dat en trekt zijn pantser nog een stukje strakker aan.
‘Ik ben ook maar een mens!’, murmelt hij boos. Maar de mensen interesseert het niet. Ga maar ergens anders een mens staan wezen, met je verongelijkte gegorgel en je stomme pet.
Maar goed, op een dag is Guido er niet meer. En dan wil ik de Bosschenaren nog wel eens horen. Waar is toch die koddige zwerver? Die lekker boze alcoholist met zijn schaamteloze strapatsen. De Swiebertje van Den Bosch, zullen we hem noemen. Maar nu nog effe niet.
‘Ik ben ook maar een mens’; Guido mag het graag zeggen. Meestal als hij ergens verwijderd wordt nadat hij zojuist iemand zijn biertje heeft afgepakt. Fouten zijn menselijk, vindt Guido. En dorst ook.

Ooit, jaren geleden, heeft Guido mij een keer tegen mijn hoofd geschopt. Dat was best knap, want ik zat rechtop op een parkbankje, en ook best raar, want ik had feitelijk niets misdaan. Sterker: ik zat een onschuldig partijtje te tongen. Met een meisje. Guido kwam langs, vroeg om bier, en toen we hem beleefd zeiden dat we hem niet konden helpen werd hij dusdanig overmand door teleurstelling dat hij alle kracht verzamelde die hij in zich had en een rake karatetrap ten beste gaf. Tegen mijn gezicht. Daarna viel hij om. Ik hielp hem daarbij een beetje.

Guido is gewoon maar een mens. Maar hij is meer dan dat. In al zijn pislinke tragiek is hij gratis participatietheater. Hij komt aan je tafeltje zitten, biedt je vriendschap aan en als je die niet wil begint hij te schreeuwen. En pakt hij je statiegeld-beker af, waar je net nog op zat te kankeren maar die je nu toch wel graag terug wil. Guido hoort bij de Boulevard, ook al heeft niemand erom gevraagd.

En elk jaar, als de Boulevard verdwijnt, verdwijnt Guido mee. Er zijn vast mensen die weten waarheen, maar vertel het me maar niet. Het niet weten biedt de ruimte te denken dat hij de rest van het jaar zijn karatetrap verfijnt bij een roedel Ninja’s ergens in een Aziatisch hooggebergte. Of dat hij onder het pseudoniem Saskia Noort elk jaar een gezellige zomerthriller de markt op slingert. Dat zijn woedende zoektocht naar een beetje aanspraak zo naarstig is omdat hij het de rest van het jaar te druk heeft met oorlogsslachtoffertjes redden, en dat niemand daar ooit naar vraagt. Weet ik het.

Soms denk ik dat ik Guido zijn verhaal wil horen. Maar meestal denk ik van niet. Volgens mij is vooral het besef belangrijk, dat hij er een heeft.