Zelfcensuur

door Lucas de Waard

Vorige week censureerde ik mijn eigen column. Hij ging niet over het referendum, niet over Erdogan, niet eens over Geert Wilders, maar over Shoarma Jan, de uitbater van een Bossche grillroom. Of nu ja, eigenlijk ging het stukje over verandering, over moordende keuzevrijheid en meer van zulks, maar dat had ik voor de gelegenheid opgehangen aan wat grapjes over een onschuldige shoarmaverkoper. Ik trok bijvoorbeeld zijn hygiëne in twijfel, niet omdat ik daar ook maar het minste beetje verstand over heb, maar omdat ik terzijdes over hygiëne in dit verband wel lollig vind.

Shoarma Jan zelf – die eigenlijk anders heet, maar niemand kan me vertellen hoe – vond het helemaal niet lollig. Hij was, bij monde van zijn buurman, zelfs erg verdrietig. Alles wat hij in een slordige twintig jaar, misschien nog wel langer, had opgebouwd, werd door een columnist die hem nog nooit recht in de ogen had gekeken te kakken gezet. In de lokale media nog wel. En waarom?

Ja, waarom eigenlijk? Wilde ik Shoarma Jan te grazen nemen? Niet in het minst. De man is een cultfiguur, een fenomeen, en zijn tent staat wat mij betreft symbool voor een vervlogen tijd die van mij helemaal niet had hoeven vervliegen. Dat is eigenlijk wat ik wilde zeggen. En die grapjes, ach, dat was om de boel wat peper te geven.

En zo zat ik, op mijn vakantieadres, ineens mijn eigen column in twijfel te trekken. Had ik er rekening mee gehouden dat Shoarma Jan ooit zelf dat stuk onder ogen zou krijgen? Nee. Had ik daarmee de reikwijdte onderschat? En daarmee ook de impact op het lijdend voorwerp? Misschien. Dat doet er eigenlijk niet toe. Veel belangrijker is dat ik niet alleen mijn doel voorbij schoot, maar in dat proces ook nog eens iemand slachtofferde die helemaal niet om aandacht gevraagd had. Shoarma Jan is geen politicus, geen publiek figuur. Hij runt gewoon zijn zaakje, en wordt waarschijnlijk het liefst met rust gelaten.

Afijn, ineens was er sprake van spijt, dus, daar op dat Cypriotische strand. Want: Shoarma Jan verdrietig, mensen van allerhande pluimage boos op mij, en dat allemaal omdat ik mijn verhaal over vervlogen tijden zo nodig had willen larderen met wat lollige sappigheden. Dus toen het verzoek kwam de column offline te laten halen besloot ik daar gehoor aan te geven. Mijn werkgever aarzelde nog wat, want vrijheid van meningsuiting, maar ik wilde het. De column moest, voor zover mogelijk, ongedaan gemaakt worden. Niet omdat ik niet elkaar geslagen wil worden, of omdat ik iedereen te vriend houden wil, maar omdat ik moest erkennen dat ik een slecht stuk had geschreven. Een stuk dat niet deed wat het moest doen. Sterker nog: het tegenovergestelde werd bereikt. Dat is voor een columnist een pijnlijke nederlaag. Daar komt bij dat zelfcensuur in de hedendaagse schreeuwcultuur natuurlijk volkomen not done is, maar wat mij betreft is dat een extra reden om het te doen.
Een columnist mag natuurlijk beweren wat hij wil. Maar als ‘ie het alleen beweert om een extra lach te scoren, dan doet hij zijn werk niet goed. Of laat ik het anders zeggen: zo’n columnist wil ik niet wezen.

Rest mij nog af te sluiten met een oproep: mocht je mijn boek nog niet gekocht hebben; mooi. Doe het niet. Bestel in plaats daarvan vier broodjes bij Shoarma Jan. Dat zal mij leren.