Open Brief

door Lucas de Waard

Lieve leden van de tweede kamer,
Beste Halbe,

Jullie kennen mij niet.
Dat komt omdat ik aanstormend ben. Nieuw talent. Opkomend, noemt men dat dan, en het heeft iets te maken met een lange weg en weinig te vreten. Meer dan je best kun je niet doen, denk ik dan maar, en ik schrijf een nieuw toneelstuk. Het zal mijn tijd wel duren. Volgens mij weet je zelf nooit zo goed wanneer je ineens talent af bent, en gevestigd. Zoiets zal wel weer veel te laat indalen. Dat doet besef meestal. Op onfortuinlijke momenten ook vaak. Zo heb ik ooit tijdens een tamelijk intense vrijpartij ineens gedacht: blauw staat mij niet.
Maar dat terzijde.
Jullie kennen mij niet. Ik ben een jonge schrijver en elleboog mezelf zachtjes door de marge. We zien wel waar het schip strandt, is een beetje het devies, want uiteindelijk vind ik het vooral leuk om te schrijven en doet status me niet zoveel. Ik vind mezelf goed, maar ben bereid geduldig te zijn als het even duurt voordat andere mensen het ook door krijgen. Ik schrijf, en dat doe ik omdat ik ervan houd, en ook een beetje omdat het moet. Schrijven is eigenlijk het enige dat ik kan. Het is mijn werk, mijn hobby, mijn raison d’être (dat is Frans) en mijn broodwinning. Ooit was het ook mijn redding, maar dat is weer een ander verhaal en onze tijd is kostbaar.
Terug naar het hier en nu.

Er wordt gesneden. De regering moet geld besparen en doet dit nu middels een beleid dat velen tegen de borst stoot. Soit (dat is ook Frans). Waar gehakt wordt vallen altijd spaanders, en niemand houdt van spaanders. Dus laat ik beginnen te zeggen: ik respecteer wat u probeert. Oprecht. Ik respecteer het feit dat er klappen vallen, en ben net als velen bereid er een aantal op te vangen.
Dat u heel hard wilt kunnen rijden, stoere straaljagers aan wilt schaffen en hypotheekrentes wilt aftrekken tot u een ons weegt vind ik eerlijk gezegd ook prima. Goed, die straaljagers lijken me een dure grap in tijden van bezuinigingen, maar laat ik niet kinderachtig wezen. Ik ga meestal ook lekker uit eten op de vooravond van de belastingaangifte. Een mens moet kunnen genieten, nietwaar? Nee, dat er beleid gevoerd moet worden lijkt me duidelijk. Het beleid mag mij volstrekt mallotig lijken; het is uiteindelijk mijn zaak niet.
Wat ik wél fijn zou vinden, nee sterker, waartoe ik met klem zou willen oproepen, is dat er per direct opgehouden wordt met het wegzetten van de cultuursector als -laat ik mij in de tijdsgeest uitdrukken- een roedel inwisselbare lamzakken. Als een almaar uitdijend leger van zakkenvullers die Nederland overspoelen met ongewenste lelijkheid en volstrekt overbodige luxeartikeltjes. Dat is namelijk een nieuwe trend. En het siert ons land niet. Dat meneer Wilders vindt dat een echte kerel met zijn handjes werkt en niet met zijn hoofd mag bekend wezen, maar zijn holle frases lijken langzaamaan een soort gemeengoed te worden onder wat voorheen ‘fatsoenlijk rechts’ was. Ik heb tijdens verscheidene discussies met VVD-ers reeds een welgemeend ‘Huilie huilie’ om mijn oren gekregen. Huilie huilie. Als argument. Van iemand die zichzelf een liberaal noemt.
Ik heb aan mensen met een HBO- of zelfs universitaire opleiding moeten verantwoorden wat kunst eigenlijk wezenlijk bijdraagt aan een samenleving. Dat moest men blijkbaar in de jaren zeventig ook, maar toen bestond ik nog niet. Ik moet zodoende al die argumenten zelf heruitvinden. Prima, maar een beetje zonde van de tijd is het wel.
Ik ga het hier ook niet doen. Ik ga het níet doen. Omdat u het weet. Omdat ú het eigenlijk zou moeten uitleggen, in plaats van ik. Omdat ú, als wel opgeleid en door de wol geverfd politicus, aan de boze burger zou moeten vertellen wat Kunst en Cultuur voor dit land hebben betekend, en nog steeds dagelijks doen. Omdat ú, als er iemand iets heel erg doms roept, niet zou moeten knikken, maar vanuit uw ivoren toren gerust mag zeggen: ‘Dat ziet u verkeerd, Henk.’ ‘Dat ligt iets gecompliceerder, Ingrid.’
Dat is uw werk.

Ik was een paar maanden terug op een debatavond. Vertegenwoordigers van de jeugdafdelingen van onder andere VVD, CDA en D66 stonden naast of tegenover elkaar. Het debat ging over de draconische bezuinigingen in de kunstsector. Op een gegeven moment nam de CDA-knaap het woord. Een vriendelijke jongen. Hij pakte de microfoon, haalde adem, en ik quote: ‘Misschien is er wel even genoeg kunst gemaakt voor de komende jaren.’
Alsof het over een voorraadje appelcompote ging! We hebben nu een kelder vol met die potten, stop maar met pureren, moeder!
Het is niet het debat dat steekt, het is de toon van het debat. Het is niet het feit dát er bezuinigd wordt, maar het dedain, het welhaast sardonisch genoegen waarmee complete delen van de sector opgedoekt worden, gelardeerd met leuzen als ‘weg met het subsidie-infuus’ en ‘niemand is veilig’. Hiermee wordt het debat volstrekt lam gelegd. Want een zakkenvuller heeft geen recht van spreken.
Halbe, je schijnt graag naar Metallica te luisteren. Dat siert je. Maar toch kan ik me niet aan het beeld onttrekken dat je de hele dag ‘Seek and destroy’ op repeat hebt staan.

Dus, lieve leden van de tweede kamer, beste Halbe, wat wil ik nu eigenlijk? Welnu,  Ik wil voor vol aangezien worden. Ik wil gerespecteerd worden in hetgeen ik probeer te doen. Hetgeen ik goed kán. Ik wil erkenning voor mijn vakmanschap, en ik wil een kabinet dat de heer Wilders een corrigerende tik geeft als hij mij en mijn hele beroepsgroep met een welgerichte sneer door de gehaktmolen trekt. De heer Wilders mag voorstaan dat heel Nederland spoorbielzen gaat leggen, omdat hijzelf ‘Meet Joe Black’ als belangrijke kunst ziet en die nu eenmaal al gemaakt is, maar de rest van u zou beter moeten weten. Beter moeten wíllen weten.
Daar komt bij: dat u heel hard wilt kunnen rijden, stoere straaljagers aan wilt schaffen en hypotheekrentes wilt aftrekken is natuurlijk eigenlijk een beetje een moeilijk punt in de hele discussie. Want keer op keer wordt er over theater, klassieke muziek, beeldende kunst gesproken in termen als ‘wat heeft de gewone burgerman eraan?’, en ondertussen wordt er voor miljoenen geïnvesteerd in een soort vliegende transformers. Ik heb geprobeerd dat te rijmen. Het lukt niet. Dat er bezuinigd moet, óók op cultuur, lijkt me evident, want waar gehakt wordt vallen spaanders. Maar dat veronderstelt wel dat het hakken noodzakelijk is. Hakken op deze manier kan nooit noodzaak zijn. Hakken op déze manier, gestut door slogans die een hele sector wegzetten als wegwerpartikeltje, riekt naar wrok. Naar een met plezier aangezwengelde sloopkogel. Het is symboolpolitiek die talloze malen meer vernietigt dan dat het ooit creëren kan.

Lieve leden van de tweede kamer,
Beste Halbe,
Jullie kennen mij niet.
Dat is niet erg. Ik kom er wel. Op een dag zullen jullie me wel kennen. Maar welke dag is dat? De dag dat ik een lullig vlaggetje plant op de smeulende puinhopen van het beleid dat u voorstaat? Of de dag dat ik samen met u, en mijn medekunstenaars, probeer tot hervormingen en toekomstgerichte oplossingen te komen, die zowel geld bezuinigen als opleveren? Die zorgen dat we onze trots behouden. Nederland, het land waar belangrijke kunst gemaakt kon worden zonder van tevoren te bepalen of het belangrijk was.
Wij zijn geen wegwerpartikel. Wij zijn geen zakkenvullers. Wij zijn de smeerolie van de beschaving. Wij maken het leven van mensen die om zich heen durven te kijken kwalitatief beter. En dat voor niet eens zo heel erg veel geld. En áls er dan klappen moeten vallen, gun ons dan tenminste de erkenning, de waardigheid die past bij een sector waaraan dit land veel te danken heeft.
Dat zijn we waard.
Gun ons dat, omdat u het weet. Omdat ú dit eigenlijk zou moeten uitleggen, in plaats van ik.

Met vriendelijke groet,

Lucas de Waard